De canon van het Oude Testament

Er is een duidelijk onderscheid tussen menselijke en goddelijke boeken.

Romeinen 15:4
Al wat namelijk tevoren geschreven is, werd tot ons onderricht geschreven, opdat wij in de weg der volharding en van de vertroosting der Schriften de hoop zouden vasthouden.
2 Petrus 1:20-21
Dit moet gij vooral weten, dat geen profetie der Schrift een eigenmachtige uitlegging toelaat; want nooit is profetie voortgekomen uit de wil van een mens, maar, door de Heilige Geest gedreven, hebben mensen van Godswege gesproken.

Schriftvervullingen helpen ons derhalve in de volharding.

Mattheüs 26:54
Marcus 14:49
Lukas 24:32
Lukas 24:45
Johannes 5:39
Handelingen 17:2
Handelingen 17:11
Handelingen 18:24
Handelingen 18:28
1 Korinthiërs 15:3-4
Lukas 24:27
En Hij begon bij Mozes en bij al de profeten en legde hun uit, wat in al de Schriften op Hem betrekking had.
Johannes 2:22
Johannes 7:38
Johannes 7:42
Johannes 10:35
Johannes 17:12
Johannes 19:28
Johannes 20:9
enz.

Ten tijde van Jezus lag niet alleen de inhoud van de Oudtestamentische canon, maar ook de volgorde al vast.

Mattheüs 23:34-35
Daarom, zie, Ik zend tot u profeten en wijzen en schriftgeleerden. Van hen zult gij sommigen doden en kruisigen en van hen zult gij anderen geselen in uw synagogen en vervolgen van stad tot stad, opdat over u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten werd op de aarde van het bloed van Abel, de rechtvaardige, tot het bloed van Zacharias, de zoon van Berechja, die gij vermoord hebt tussen het tempelhuis en het altaar.

Jezus noemt hier de eerste en de laatste beschreven moord, zoals wij "van Genesis tot Openbaring" zouden zeggen. Hij spreekt niet chronologisch, want de moord op de rechtvaardige Uria is in tijd later dan die op Zacharias.

Genesis 4:8
Maar Kain zeide tot zijn broeder Abel: (Laten wij het veld ingaan). Toen zij nu in het veld waren, stond Kain tegen zijn broeder Abel op en doodde hem.
2 Kronieken 24:20-21
Toen vervulde de Geest Gods Zekarja, de zoon van de priester Jojada, en hij ging tegenover het volk staan en zeide tot hen: Zo zegt God: waarom overtreedt gij de geboden des Heren en wilt gij niet voorspoedig zijn? Omdat gij de Here verlaten hebt, heeft Hij u verlaten. Maar zij maakten een samenzwering tegen hem en stenigden hem op bevel van de koning in de voorhof van het huis des Heren.
Jeremia 26:22-23
Daarop zond koning Jojakim enige mannen naar Egypte, Elnatan, de zoon van Akbor, en enige mannen met hem, naar Egypte; zij haalden Uria uit Egypte en brachten hem tot koning Jojakim, en deze liet hem met het zwaard ter dood brengen en zijn lijk op de begraafplaats van het gewone volk werpen.

In het Nieuwe Testament blijkt "de Wet" meer dan de Thora te zijn.

1 Korinthiërs 14:21
Citeert Jesaja 28:11-12 als deel van "de Wet" (dus niet alleen de Thora)
Psalmen 82:6
Wel heb Ik gezegd: Gij zijt goden, ja, allen zonen des Allerhoogsten;
Johannes 10:34
Jezus antwoordde hun: Is er niet geschreven in uw wet: Ik heb gezegd: Gij zijt goden?
Psalmen 69:5a
Talrijker dan de haren van mijn hoofd zijn zij die mij zonder oorzaak haten;
Psalmen 35:19
Dat mijn valse vijanden zich niet over mij verheugen, noch met de ogen knippen wie mij zonder oorzaak haten.
Johannes 15:25
Maar het woord moet vervuld worden, dat in hun wet geschreven is: Zij hebben Mij zonder reden gehaat.
2 Korinthiërs 3:14