Geografische plaatsen

Een vreemd land of vreemde stad wordt in de Bijbel vaak genoemd met de naam die de Israëlieten er aan gaven — vaak een verbastering van de naam in de eigen taal. Zo is de plaats Erech uit Genesis 10:10 en Ezra 4:9 de historische stad Oeroek, die ook een rol speelt in het Gilgamesj-­epos.

De Phoenicische stad Byblos exporteerde papyrus, dat daarom door de Grieken βυβλος genoemd werd. Uiteindelijk is hiervan ons woord ‚Bijbel’ afgeleid. De naam Phoenicië is waarschijnlijk een Griekse volksetymologie van hun Egyptische naam, Fenchoe, waarin de Grieken φοινιξ, ‚purper’ (of ‚dadelpalm’, of ‚roodbruin’) hoorden, één van de belangrijke uitvindingen van de Phoeniciërs. De Phoeniciërs zelf noemden hun land Kanaän.

Nadat in 1929 een ploegende boer een grafgewelf in de Ras Esj-Sjamra („venkelheuvel”, zo genoemd naar het daar groeiende onkruid) blootlegde begonnen aldaar opgravingen, die de stad Oegarit blootlegden.

Bether.

Dit woord in Hooglied 2:17 kan een eigennaam zijn, maar ook kluif (in de oorspronkelijke betekenis van iets gekliefds) betekenen, zoals in Genesis 15:10, Jeremia 34:18-19. Het woord heeft niets met beth te maken, maar komt van het werkwoord bathar, klieven, in tweeën kloven.

Lechi.

Deze stad komt buiten een enkele vermelding in 2 Samuël 23:11 enkel voor in het verhaal van Simson (Richteren 15:9, Richteren 15:14, Richteren 15:19), waarin de oorsprong van de naam verklaard wordt (Richteren 15:17): ‚Lechi’ betekent ‚ezelskaak’.

Sinear — de landstreek rond Babylon.

Genesis 10:10
En het begin van zijn koninkrijk was Babel, Erech, Akkad en Kalne, in het land Sinear.
Genesis 11:2
Toen zij oostwaarts trokken, vonden zij een vlakte in het land Sinear, waar zij zich vestigden.
Genesis 14:1
Het gebeurde nu in de dagen van Amrafel, de koning van Sinear, Arioch, de koning van Ellasar, Kedorlaomer, de koning van Elam, en Tideal, de koning der volken,
Genesis 14:9
tegen Kedorlaomer, de koning van Elam, Tideal, de koning der volken, Amrafel de koning van Sinear, en Arioch, de koning van Ellasar, vier koningen tegen vijf.
Jozua 7:21a
ik zag bij de buit een mantel van Sinear,
Jesaja 11:11
En het zal te dien dage geschieden, dat de Here wederom zijn hand opheffen zal om los te kopen de rest van zijn volk, die overblijft in Assur, Egypte, Pathros, Ethiopië, Elam, Sinear, Hamath en in de kustlanden der zee.
Daniël 1:2
en de Here gaf Jojakim, de koning van Juda, in zijn macht, benevens een deel van het gerei van het huis Gods, en hij bracht ze naar het land Sinear in de tempel van zijn god; het gerei bracht hij in de schatkamer van zijn god.
Zacharia 5:11
Hij antwoordde mij: Naar het land Sinear, om daar voor haar een huis te bouwen. Is dit gereed, dan zetten zij haar daar op haar plaats.