Cultuur en culturen.

Over de tijd der aartsvaders schrijft de grote archeoloog Cyrus H. Gordon dat allereerst de gebruiken der Bedoeïenen, en daarna de spijkerschiftbibliotheken de belangrijkste gegevens bieden tot het verstaan van de cultuur. Hij voegt toe:

Men kan er niet genoeg de nadruk op leggen dat de ontdekkingen van de archelolgie telkens opnieuw de letterlijke betekenis van de bijbelteksten bevestigen, en niet de traditionele of geleerde interpretaties daarvan. Dit geldt niet alleen voor de Bijbel, maar voor de oude teksten in het algemeen.

De gewoonte van de aartsmoeders via hun slavinnen kinderen te verwekken was algemeen in de toenmalige Semitische wereld. Zo was blijkens de archieven van Noezoe een onvruchtbare echtgenote daar zelfs verplicht een haar man een andere vrouw ter beschikking te stellen. Deze andere vrouw werd dan automatisch haar slavin, maar wel één die ze nooit zou mogen wegsturen - vandaar wellicht de omwegen in Genesis 16:6 (wegpesten) en Genesis 21:10 (door de man laten wegsturen).

Genesis 16:1-6
Sarai nu, de vrouw van Abram, schonk hem geen kinderen, en zij had een Egyptische slavin, wier naam was Hagar. En Sarai zeide tot Abram: Zie toch, de Here heeft mij niet vergund te baren ga toch tot mijn slavin; misschien zal ik uit haar gebouwd worden. En Abram luisterde naar Sarai. En Sarai, de vrouw van Abram, nam Hagar, de Egyptische, haar slavin, nadat Abram tien jaar in het land Kanaan gewoond had, en gaf haar aan haar man Abram tot vrouw.
En hij ging tot Hagar en zij werd zwanger; toen zij zag, dat zij zwanger geworden was, was haar meesteres verachtelijk in haar ogen. Toen zeide Sarai tot Abram: De krenking mij aangedaan, komt voor uw rekening; ik heb mijn slavin in uw schoot gegeven, en nu zij ziet, dat zij zwanger geworden is, ben ik verachtelijk in haar ogen; de Here doe recht tussen mij en u. En Abram zeide tot Sarai: Zie, uw slavin is in uw macht; doe met haar wat goed is in uw ogen. Toen vernederde Sarai haar, en zij vluchtte van haar weg.
Genesis 30:1-5
Toen Rachel zag, dat zij Jakob geen kinderen baarde, werd Rachel jaloers op haar zuster, en zij zeide tot Jakob: Geef mij kinderen; zo niet, dan sterf ik. Toen ontbrandde Jakobs toorn tegen Rachel, en hij zeide: Neem ik de plaats van God in, die u de vrucht van de schoot ontzegd heeft? Maar zij zeide: Hier is mijn slavin Bilha, kom tot haar, en zij bare op mijn knieen, opdat ook ik uit haar gebouwd worde. En zij gaf hem haar slavin Bilha tot vrouw; en Jakob kwam tot haar. Bilha werd zwanger en baarde Jakob een zoon.
Genesis 30:9-10
Toen Lea zag, dat zij had opgehouden te baren, nam zij haar slavin Zilpa en gaf haar aan Jakob tot vrouw. En Zilpa, de slavin van Lea, baarde Jakob een zoon.

Een andere gewoonte die we uit die archieven kennen is de adoptie, onder meer de adoptie van een schoonzoon door iemand met alleen dochters, of van een slaaf door een man zonder kinden, om zijn erfdeel niet verloren te laten gaan. In zulke gevallen was er een clausule dat, mocht er een zoon geboren worden, die als eerstgeborene en dus erfgenaam zou gelden. Iets dergelijks lijkt Abraham gedaan te hebben.

Genesis 15:2-4
En Abram zeide: Here Here, wat zult Gij mij geven, daar ik kinderloos heenga en de bezitter van mijn huis, dat zal deze Damascener Eliëzer zijn. En Abram zeide: Zie, mij hebt Gij geen nakroost gegeven, en nu moet een onderhorige mijn erfgenaam zijn. En zie, het woord des Heren kwam tot hem: Deze zal uw erfgenaam niet zijn, maar uw lijfelijke zoon, die zal uw erfgenaam zijn.