Ons samenleven als Christenen

Christenen leven in gemeenschap; zij vormen een gemeente.

Handelingen 2:42
En zij bleven volharden bij het onderwijs der apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden.
Handelingen 2:44-47a
En allen, die tot het geloof gekomen en bijeenvergaderd waren, hadden alles gemeenschappelijk; en telkens waren er, die hun bezittingen en have verkochten en ze uitdeelden aan allen, die er behoefte aan hadden; en voortdurend waren zij elke dag eendrachtig in de tempel, braken het brood aan huis en gebruikten hun maaltijden met blijdschap en eenvoud des harten, en zij loofden God en stonden in de gunst bij het gehele volk.
Handelingen 4:32
En de menigte van hen, die tot het geloof gekomen waren, was een van hart en ziel, en ook niet een zeide, dat iets van hetgeen hij bezat zijn persoonlijk eigendom was, doch zij hadden alles gemeenschappelijk.
Handelingen 5:12
En door de handen der apostelen geschiedden vele tekenen en wonderen onder het volk; en zij waren allen eendrachtig bijeen in de zuilengang van Salomo.

Wij moeten de bijeenkomsten niet mijden.

Hebreeën 10:25
Wij moeten onze eigen bijeenkomst niet verzuimen, zoals sommigen dat gewoon zijn, maar elkander aansporen, en dat des te meer, naarmate gij de dag ziet naderen.

Deze bijeenkomsten waren op de eerste dag der week. Dan breekt men het brood. Zo'n vast moment was ook praktisch als geheugensteun: na de dienst wat geld opzijleggen.

Handelingen 20:7
En toen wij op de eerste dag der week samengekomen waren om brood te breken hield Paulus een toespraak tot hen en, daar hij van plan was de volgende dag te vertrekken, zette hij zijn rede voort tot middernacht.
1 Korinthiërs 16:2
elke eerste dag der week legge ieder uwer naar vermogen thuis iets weg, en hij spare dit op, opdat er niet eerst na mijn komst inzamelingen moeten gehouden worden.

Aan die bijeenkomsten draagt ieder het zijne bij, in goede orde.

1 Korinthiërs 14:26
Hoe staat het dan, broeders? Telkens als gij samenkomt, heeft ieder iets: een psalm of een lering of een openbaring of een tong of een uitlegging; dat alles moet tot stichting geschieden.
1 Korinthiërs 14:30-31
Maar indien aan een ander, die daar gezeten is, een openbaring ten deel valt, moet de eerste zwijgen. Want gij kunt alleen één voor één profeteren, opdat allen lering en allen opwekking erdoor ontvangen.
Zie ook
1 Korinthiërs 11:17-18, 1 Korinthiërs 11:20, 1 Korinthiërs 14:23.

De gemeente moet uitnodigend zijn.

Openbaring 22:17
En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En wie het hoort, zegge: Kom! En wie dorst heeft, kome, en wie wil, neme het water des levens om niet.