Atheïsme

Al sinds zeer oude tijden waren er mensen die niet in God geloofden, of niet in een God die iets uitmaakte.

Job 22:13-17
Maar gij denkt: Wat weet God? Kan Hij richten door de donkerheid heen? Wolken omhullen Hem, zodat Hij niet ziet; Hij wandelt langs de kring des hemels!
Wilt gij u houden aan de overoude weg die de boosdoeners hebben betreden, welke weggerukt zijn voor hun tijd, wier grondslag werd weggespoeld als een rivier? Die tot God zeiden: Wijk van ons! en: Wat kan de Almachtige ons maken?
Psalmen 10:4
De goddeloze met zijn neus in de hoogte (denkt): Hij vraagt geen rekenschap; al zijn gedachten zijn: Er is geen God.
Psalmen 14:1m, Psalmen 53:2a
De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God.

De denkwereld van de atheïst is in enig detail ontleed door de Prediker, die nagaat hoe het wereldbeeld is van iemand die niet verder kijkt dan „onder de zon”. Hier volgen enige van zijn bevindingen.

Alles is zinloos voor de atheïst — dit is het thema van het hele boek.

Prediker 1:2-3
IJdelheid der ijdelheden, zegt Prediker, ijdelheid der ijdelheden! Alles is ijdelheid! Welk voordeel heeft de mens van al zijn zwoegen, waarmee hij zich aftobt onder de zon?
Prediker 2:1-2
Ik zeide tot mijzelf: Welaan, ik wil u op de proef stellen door vreugde, verlustig u dus in het goede. Maar zie, ook dit is ijdelheid. Van het lachen moest ik zeggen: Het is dwaas; en van de vreugde: Wat werkt zij uit?
Prediker 2:11
Toen ik mij nu wendde tot alle werken die mijn handen hadden gewrocht, en tot het zwoegen waarmee ik mij had afgetobd om die te volbrengen; zie, alles was ijdelheid en najagen van wind, en er is geen voordeel onder de zon.

Alles gaat verloren en wordt vergeten.

Prediker 1:11
Er is geen heugenis van de vorige tijden, en ook van de latere, die er zullen zijn, zal er geen heugenis wezen bij hen die nog later leven zullen.
Prediker 2:16
Want er is nimmer enige heugenis van de wijze, zomin als van de dwaas, omdat in de komende dagen alles reeds lang vergeten is, en ach, hoe sterft de wijze evenzeer als de dwaas!

Er is geen schepping en geen eindoordeel, niets verandert ooit wezenlijk.

Prediker 1:4
Het ene geslacht gaat en het andere geslacht komt, maar de aarde blijft altoos staan.
Prediker 1:9-10
Wat geweest is, dat zal er zijn, en wat gedaan is, dat zal gedaan worden; er is niets nieuws onder de zon. Is er iets, waarvan men zegt: Ziehier, dat is nieuw. Het was er al in verre tijden, die voor ons waren.

In het leven heeft het toeval het voor het zeggen.

Prediker 9:11-12
Wederom zag ik onder de zon, dat niet de snelsten de wedloop winnen, noch de sterksten de strijd, noch ook de wijzen het brood, noch ook de schranderen de rijkdom, noch ook de verstandigen de gunst, want tijd en toeval treffen hen allen. Want ook de mens kent zijn tijd niet, evenmin als de vissen, die in het verraderlijke net gevangen worden, evenmin als de vogels, die in het klapnet gevangen worden. Evenals zij worden de mensenkinderen verstrikt ten tijde des kwaads, als dit hen plotseling overvalt.

Goed zijn heeft uiteindelijk geen voordeel boven slecht zijn, dus wees maar middelmatig.

Prediker 2:14-15
Wel ontwaarde ik, dat de wijsheid haar voordeel heeft boven het onverstand, zoals het licht zijn voordeel heeft boven de duisternis: de wijze heeft ogen in zijn hoofd, maar de dwaas wandelt in de duisternis; maar ik bemerkte ook, dat één lot hen allen treft, en ik zeide bij mijzelf: Wat de dwaas wedervaart, wedervaart ook mij: waartoe ben ik dan zo uitermate wijs geweest? Toen sprak ik bij mijzelf, dat ook dit ijdelheid is.
Prediker 7:16
Wees niet te zeer rechtvaardig en gedraag u niet al te wijs; waarom zoudt gij uzelf tot verbijstering brengen? Wees niet te zeer goddeloos en wees geen dwaas; waarom zoudt gij sterven voor uw tijd?
Prediker 8:10
Eveneens zag ik, hoe goddelozen begraven werden en (de rust) ingingen, terwijl zij die recht gehandeld hadden, van de heilige plaats moesten weggaan en in de stad vergeten werden. Ook dit is ijdelheid.
(Prediker 8:11-13 geeft de werkelijkheid: er is een vonnis, en daarin zal het de rechtvaardigen wel gaan, maar de goddeloze niet.)
Prediker 9:2-3
Alles is gelijk voor allen, eenzelfde lot treft de rechtvaardige en de goddeloze, de goede en de reine, alsook de onreine; hem die offert, en hem die niet offert; het gaat de goede evenals de zondaar, hem die zweert, als hem die de eed schuwt. Dit is het ergste, dat onder de zon geschiedt: dat allen eenzelfde lot treft; daarom is het hart der mensenkinderen vol boosheid en is er verdwaasdheid in hun hart hun leven lang; en daarna gaat het naar de doden.

Mensen zijn net dieren; met de dood is het uit. Leef dus gerust maar raak.

Prediker 3:19-20
Want het lot der mensenkinderen is gelijk het lot der dieren, ja, eenzelfde lot treft hen: gelijk dezen sterven, zo sterven genen, en allen hebben enerlei adem, waarbij de mens niets voor heeft boven de dieren; want alles is ijdelheid, alles gaat naar één plaats, alles is geworden uit stof, en alles keert weder tot stof.
(Prediker 3:19-21 geeft de werkelijkheid: het verschil is er wel, maar wij zien het niet. Wij zien niet de ziel, alleen het lichaam dat stof wordt.)
Prediker 9:4-6
Want voor al wie tot de levenden behoort, is er hoop, immers een levende hond is beter dan een dode leeuw. De levenden weten tenminste, dat zij sterven moeten, maar de doden weten niets; zij hebben geen loon meer te wachten, zelfs hun nagedachtenis is vergeten. Zowel hun liefde als hun haat en hun naijver zijn reeds lang vergaan; en zij hebben nimmer deel aan iets, dat onder de zon geschiedt.
Prediker 9:10
Al wat uw hand vindt om naar uw vermogen te doen, doe dat, want er is geen werk of overleg of kennis of wijsheid in het dodenrijk, waarheen gij gaat.

De mens heeft geen vrije wil, dus wat hij ook doet is naar Gods wil.

Prediker 9:7-9
Welaan dan, eet uw brood met vreugde en drink uw wijn met een vrolijk hart, want als gij dit doet, dan heeft God dit reeds lang zo gewild. Laten uw klederen te allen tijde wit zijn en olie ontbreke niet op uw hoofd. Geniet het leven met de vrouw die gij liefhebt, al de dagen des ijdelen levens, die Hij u geeft onder de zon, al uw ijdele dagen, want dat is uw deel onder de levenden en bij het zwoegen, waarmee gij u aftobt onder de zon.