Offerhoogten

Het woord bâmâh duidt meestal een offerhoogte aan. Dat is geen natuurlijke verhoging in het landschap; ze wordt aangelegd, op bergen of in dalen. In Hazor hebben archeologen resten van zo'n hoogte teruggevonden.

1 Koningen 11:7-8
Toentertijd bouwde Salomo een hoogte voor Kemos, de gruwel van Moab, op de berg ten oosten van Jeruzalem, en voor Moloch, de gruwel der Ammonieten. Hetzelfde deed hij voor al zijn vreemde vrouwen, die reukoffers en slachtoffers aan haar goden brachten.
1 Koningen 14:22-23
En Juda deed wat kwaad is in de ogen des Heren, en zij prikkelden Hem tot naijver (meer dan hun vaderen ooit gedaan hadden) door de zonden die zij bedreven. Ook zij bouwden zich hoogten en gewijde stenen en gewijde palen op elke hoge heuvel en onder elke groene boom.
Jeremia 7:30-31
Want de kinderen van Juda hebben gedaan wat kwaad is in mijn ogen, luidt het woord des Heren; zij hebben hun gruwelen geplaatst in het huis, waarover mijn naam is uitgeroepen, om dat te verontreinigen, en zij hebben de hoogten van Tofeth gebouwd, die zich in het dal Ben-Hinnom bevinden, om hun zonen en dochters met vuur te verbranden, hetgeen Ik niet geboden heb en wat in mijn hart niet is opgekomen.
Jeremia 32:34-35
Maar zij zetten hun gruwelen in het huis waarover mijn naam is uitgeroepen, om dat te verontreinigen, en zij bouwden de hoogten van de Baäl, die zich in het dal Ben-Hinnom bevinden, om hun zonen en dochters aan de Moloch te wijden, wat Ik hun niet geboden had en wat bij Mij niet opgekomen was, het bedrijven van deze gruwel om Juda te doen zondigen.

Behalve op zulke hoogten werd bij voorkeur geofferd op heuvels of onder bomen. (Of misschien werden hoogten bij voorkeur aangelegd op zulke plaatsen.)

2 Koningen 16:4
Hij slachtte en offerde op de hoogten, op de heuvels en onder elke groene boom.
2 Koningen 17:9-12
De Israëlieten hadden bedacht wat tegenover de Here, hun God, niet recht was: zij hadden zich offerhoogten gebouwd in al hun steden, van de wachttoren af tot de versterkte stad toe; en zij hadden zich gewijde stenen opgericht en gewijde palen op elke hoge heuvel en onder elke groene boom. Daar, op alle hoogten, hadden zij offers gebracht, evenals de volken die de Here voor hun aangezicht had weggevoerd; zij hadden slechte dingen gedaan en daardoor de Here gekrenkt; zij hadden afgodendienst bedreven, waarvan de Here tot hen gezegd had: Zo iets zult gij niet doen.

De Kanaänieten pleegden te offeren op hoogten. Deze moeten dan ook verwoest worden.

Numeri 33:51-52
Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen: Wanneer gij de Jordaan overtrekt naar het land Kanaän, dan zult gij al de bewoners van het land voor uw aangezicht verdrijven en al hun beeldhouwwerk vernietigen; ook zult gij al hun gegoten beelden vernietigen en al hun hoogten verwoesten.

Als de Israëlieten zich daarentegen door hen laten meeslepen zal God zelf ingrijpen.

Leviticus 26:30
En uw hoogten zal Ik verwoesten en uw wierookaltaren uitroeien; Ik zal uw lijken werpen op de lijken uwer afgoden en Ik zal een afkeer van u hebben.

Vòòr de inwijding van de Tempel werd ook God op dergelijke hoogten vereerd. Samuël en andere profeten werkten hier actief aan mee.

1 Samuël 9:11-14
Juist toen zij de helling naar de stad beklommen, ontmoetten zij meisjes op weg om water te putten. Zij zeiden tot haar: Is de ziener hier? Toen antwoordden zij hun: Ja, zie, hij is u voor, haast u nu, want hij is vandaag in de stad gekomen, omdat het volk vandaag een offermaal heeft op de hoogte. Zodra gij de stad inkomt, zult gij hem vinden, voordat hij de hoogte opgaat om te eten. Want het volk eet niet, voordat hij gekomen is; hij zegent namelijk het offer en daarna eten de genodigden. Nu dan, gaat heen, want gij zult hem dadelijk vinden. Zij gingen dan naar de stad, en toen zij de stad ingingen, kwam Samuël juist naar buiten, hun tegemoet, om de hoogte op te gaan.
1 Samuël 9:18-19a
Saul nu trad op Samuël toe midden in de poort en zeide: Wijs mij toch, waar het huis van de ziener is. Samuël antwoordde Saul: Ik ben de ziener. Ga voor mij uit de hoogte op.
1 Samuël 9:25a
Daarna daalden zij van de hoogte af naar de stad.
1 Samuël 10:5
Daarna zult gij te Gibea Gods komen, waar de bezetting der Filistijnen ligt. Zodra gij daar de stad ingaat, zult gij een schare profeten tegenkomen, die van de hoogte afdalen, voor hen uit harpen, tamboerijnen, fluiten en citers; zelf zullen zij in geestvervoering zijn.
1 Samuël 10:13
Toen er een einde gekomen was aan zijn geestvervoering, begaf hij zich naar de hoogte.

1 Koningen 3:2-4
Alleen was het volk gewoon op de hoogten te offeren, omdat tot op die dagen nog geen huis voor de naam des Heren gebouwd was. En Salomo betoonde zijn liefde tot de Here door te wandelen in de inzettingen van zijn vader David; alleen was hij gewoon op de hoogten offers te slachten en in rook te doen opgaan. Zo ging de koning naar Gibeon om daar te offeren, omdat dit de voornaamste hoogte was; duizend brandoffers bracht Salomo op dat altaar.

Jerobeam maakt gebruik van de religieuze betekenis die de Israëlieten aan de hoogten toekenden, door juist daar tempels te bouwen, en dit is de aanzet die uiteindelijk tot de deportatie der Israëlieten zal leiden.

1 Koningen 12:31-32
Verder maakte hij tempels op de hoogten, en stelde priesters aan uit alle kringen van het volk, die niet tot de Levieten behoorden. Ook voerde Jerobeam een feest in voor de achtste maand, voor de vijftiende dag dier maand, overeenkomstig het feest in Juda, en hij besteeg het altaar. Zo deed hij te Bethel en offerde aan de kalveren die hij gemaakt had. Daarbij liet hij telkens de priesters der hoogten, die hij aangesteld had, in Bethel optreden.
1 Koningen 13:1-2
zie, daar kwam een man Gods door het woord des Heren uit Juda te Betel, terwijl Jerobeam op het altaar stond om het offer te ontsteken. Deze nu predikte tegen het altaar door het woord des Heren, en zeide: Altaar, altaar, zo zegt de Here: zie, een zoon zal aan Davids huis geboren worden met name Josia; en hij zal op u de priesters der hoogten slachten, die offers op u ontsteken, en mensenbeenderen zal men op u verbranden.
1 Koningen 13:32-33
Want ongetwijfeld zal het woord geschieden, dat hij door het woord des Heren gepredikt heeft tegen het altaar te Betel en tegen al de tempels op de hoogten in de steden van Samaria. Na deze gebeurtenis bekeerde Jerobeam zich niet van zijn kwade weg, maar hij stelde opnieuw uit alle kringen van het volk priesters aan voor de hoogten. Wie het begeerde, die wijdde hij, zodat hij tot priester der hoogten werd.
2 Koningen 17:6-12
In het negende jaar van Hosea nam de koning van Assur Samaria in; hij voerde Israël in ballingschap naar Assur en deed hen wonen in Chalach, aan de Chabor, de rivier van Gozan en in de steden der Meden.
Dit nu is geschied, omdat de Israëlieten gezondigd hadden tegen de Here, hun God, die hen uit het land Egypte geleid had, uit de macht van Farao, de koning van Egypte, en omdat zij andere goden hadden vereerd en gewandeld hadden naar de inzettingen der volken die de Here voor het aangezicht van Israël verdreven had en naar die, welke de koningen van Israël hadden ingesteld. De Israëlieten hadden bedacht wat tegenover de Here, hun God, niet recht was: zij hadden zich offerhoogten gebouwd in al hun steden, van de wachttoren af tot de versterkte stad toe; en zij hadden zich gewijde stenen opgericht en gewijde palen op elke hoge heuvel en onder elke groene boom. Daar, op alle hoogten, hadden zij offers gebracht, evenals de volken die de Here voor hun aangezicht had weggevoerd; zij hadden slechte dingen gedaan en daardoor de Here gekrenkt; zij hadden afgodendienst bedreven, waarvan de Here tot hen gezegd had: Zo iets zult gij niet doen.
2 Koningen 17:29-32
Daarnaast maakte elk volk zijn eigen goden, en zij plaatsten die in de tempels op de hoogten, welke de Samaritanen hadden gebouwd, elk volk voor zich, in de steden waar zij woonden: de mensen van Babel maakten (een beeld van) Sukkoth-Benoth, de mensen uit Kutha van Nergal, de mensen uit Hamath van Asima, en de Avvieten van Nibhaz en Tartak. De Sefarvieten verbrandden hun kinderen voor Adrammelech en Anammelech, de goden van Sefarvaïm. Daarnaast vereerden zij de Here en stelden uit alle kringen priesters voor de hoogten aan, die voor hen dienst deden in de tempels op de hoogten.

Ook binnen Juda is de zonde van het offeren op hoogten een steeds terugkerend refrein. Uit 2 Koningen 23:9 hieronder blijkt dat het hier niet enkel om afgoderij gaat, maar ook om verering van God buiten de daartoe bestemde plaats.

1 Koningen 22:43z, 2 Koningen 12:3, 2 Koningen 14:4, 2 Koningen 15:4, 2 Koningen 15:35a
Alleen verdwenen de hoogten niet; nog steeds slachtte en offerde het volk op de hoogten.

Sommige koningen, zoals Achaz, doen daar actief aan mee.

2 Koningen 16:4
Hij slachtte en offerde op de hoogten, op de heuvels en onder elke groene boom.

Pas Josia pakt dit probleem in zijn hervorming rigoureus aan, en maakt daarbij onderscheid tussen op de hogten offerende priesters van God en priesters van afgoden.

2 Koningen 23:5
Ook schafte hij de afgodspriesters af, die de koningen van Juda hadden aangesteld om offers te ontsteken op de hoogten, in de steden van Juda en in de omgeving van Jeruzalem, benevens hen die voor de Baäl, de zon, de maan, de sterrebeelden en het gehele heer des hemels offers ontstaken.
2 Koningen 23:8-10
Hij liet al de priesters uit de steden van Juda komen en verontreinigde de hoogten, waar die priesters offers ontstoken hadden, van Geba tot Berseba. En hij slechtte de hoogten bij de poorten, (zo) die bij de ingang van de poort van de stadsoverste Jehosua, en wel aan de linkerhand als men de stadspoort binnengaat. Doch de priesters der hoogten mochten het altaar des Heren te Jeruzalem niet bestijgen, maar wel ongezuurde broden eten te midden van hun broederen. En hij verontreinigde Tofet, dat in het dal Ben-hinnom lag, opdat niemand meer zijn zoon of zijn dochter voor de Moloch door het vuur zou doen gaan.
2 Koningen 23:13
De hoogten ten oosten van Jeruzalem, ten zuiden van de berg der Verwoesting welke Salomo, de koning van Israël, gebouwd had voor Astoret, de gruwel der Sidoniërs, voor Kemos, de gruwel van Moab, en voor Milkom, de afschuw der Ammonieten, ook die verontreinigde de koning.
2 Koningen 23:15-16
Ook het altaar te Bethel (de offerhoogte welke Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen, gemaakt had) ook dat altaar, die hoogte, haalde hij omver; hij verbrandde de hoogte, verpulverde ze tot stof en verbrandde de gewijde paal. En toen Josia zich omkeerde en de graven zag, die daar op de berg waren, liet hij de beenderen uit de graven halen, verbrandde die op het altaar en verontreinigde dit, naar het woord des Heren, dat de man Gods verkondigd had, die deze dingen aangekondigd heeft.
2 Koningen 23:19-20
Ook al de tempels op de hoogten in de steden van Samaria, welke de koningen van Israël gemaakt hadden om (de Here) te krenken, verwijderde Josia en hij handelde daarmee geheel gelijk hij te Betel gedaan had. Hij slachtte al de priesters der hoogten die daar waren, op de altaren, en verbrandde daarop mensenbeenderen. Daarna keerde hij naar Jeruzalem terug.

Nog niet ingewerkt.

Numeri 21:28
Want vuur ging er uit van Chesbon, een vlam uit Sichons stad; het verteerde Ar-moab, de heerseres over de hoogten van de Arnon.
Numeri 22:41
De volgende morgen nam Balak Bileam mede en liet hem de hoogten van Bamoth Baäl beklimmen, vanwaar hij het uiterste deel van het volk zag.
Deuteronomium 32:13
Hij deed hem rijden over de hoogten der aarde, en eten de opbrengst van het veld; Hij deed hem honig zuigen uit de rots, en olie uit het keihard gesteente.
Deuteronomium 33:29z
Daarom zullen uw vijanden veinzen u hulde te brengen, en gij zult op hun hoogten treden.
2 Samuël 1:19
Het sieraad, o Israël — op uw hoogten ligt het verslagen! Hoe zijn de helden gevallen!
2 Samuël 1:25
Hoe zijn de helden gevallen te midden van de strijd! Jonatan ligt verslagen op uw hoogten.
1 Koningen 15:14
De offerhoogten verdwenen echter niet, toch was het hart van Asa, zolang hij leefde, de Here volkomen toegewijd.
2 Koningen 18:4a
Hij verwijderde de offerhoogten, verbrijzelde de gewijde stenen en hieuw de gewijde palen om;
2 Koningen 18:22
En als gij tot mij zegt: Wij vertrouwen op de Here, onze God; Is Hij niet dezelfde, wiens offerhoogten en altaren Hizkia heeft verwijderd, terwijl hij tot Juda en Jeruzalem zeide: Voor dit altaar te Jeruzalem zult gij u neerbuigen?
2 Koningen 21:3
Hij herbouwde de offerhoogten die zijn vader Hizkia verwoest had, richtte altaren voor de Baal op, maakte gewijde palen, zoals Achab, de koning van Israël, gedaan had, en boog zich neer voor het gehele heer des hemels en diende het.
1 Kronieken 16:39
De priester Sadok echter, en zijn broeders, de priesters, (liet hij blijven) voor de tabernakel des Heren op de offerhoogte te Gibeon,
1 Kronieken 21:29
De tabernakel des Heren, die Mozes gemaakt had in de woestijn, en het brandofferaltaar stonden in die tijd wel op de hoogte te Gibeon,

Nog te doen.

2 Kronieken 1:3
en Salomo en de gehele gemeente met hem gingen naar de hoogte te Gibeon, want daar stond de tent der samenkomst van God, die Mozes, de knecht des Heren, in de woestijn gemaakt had.
2 Kronieken 1:13
Toen keerde Salomo van de hoogte te Gibeon, van de tent der samenkomst, naar Jeruzalem terug, en hij regeerde over Israël.
2 Kronieken 11:15
Want hij stelde zich priesters aan voor de hoogten, voor de veldgeesten, en voor de kalveren die hij gemaakt had.
2 Kronieken 14:3
Hij verwijderde de uitheemse altaren en de offerhoogten, verbrijzelde de gewijde stenen, hieuw de gewijde palen om
2 Kronieken 14:5
Hij verwijderde uit al de steden van Juda de offerhoogten en de wierookaltaren. Onder hem had het koninkrijk rust.
2 Kronieken 15:17
De offerhoogten verdwenen echter niet uit Israël; toch was het hart van Asa zolang hij leefde, [de Here] volkomen toegewijd.
2 Kronieken 17:6
Met een moedig hart bewandelde hij de wegen des Heren, en bovendien verwijderde hij de hoogten en de gewijde palen uit Juda.
2 Kronieken 20:33
Alleen verdwenen de offerhoogten niet en het volk had zijn hart nog niet gericht op de God zijner vaderen.
2 Kronieken 21:11
Ook hij maakte offerhoogten op de bergen van Juda, hij bracht de inwoners van Jeruzalem tot afgoderij en verleidde Juda.
2 Kronieken 28:4
Hij bracht offers en ontstak die op de hoogten, op de heuvels en onder elke groene boom.
2 Kronieken 28:25
In elke stad van Juda maakte hij offerhoogten, om voor andere goden offers te ontsteken. En hij krenkte de Here, de God zijner vaderen.
2 Kronieken 31:1
Toen nu dit alles geeindigd was, trokken al de Israëlieten, die zich daar bevonden, uit naar de steden van Juda, verbrijzelden de gewijde stenen, hieuwen de gewijde palen om en vernielden grondig de hoogten en de altaren uit geheel Juda en Benjamin en in Efraim en Manasse. Daarna keerden al de Israëlieten naar hun steden terug, ieder naar zijn eigen bezitting.
2 Kronieken 32:12
Heeft niet deze zelfde Jechizkia zijn hoogten en altaren verwijderd en tot Juda en Jeruzalem gezegd: voor een altaar zult gij u neerbuigen en daarop offers ontsteken?
2 Kronieken 33:3
Hij herbouwde de offerhoogten die zijn vader Jechizkia had afgebroken, richtte altaren voor de Baals op, maakte gewijde palen en boog zich neer voor het gehele heer des hemels en diende ze.
2 Kronieken 33:17
Toch bleef het volk nog offeren op de hoogten, maar alleen aan de Here, hun God.
2 Kronieken 33:19
Zijn gebed en hoe hem verhoring geschonken is, al zijn zonden, zijn ontrouw de plaatsen waar hij offerhoogten gebouwd en de gewijde palen en beelden opgesteld heeft, voordat hij zich verootmoedigde, zie, dit is beschreven in de Woorden der zieners.
2 Kronieken 34:3
In het achtste jaar zijner regering, toen hij nog jong was, begon hij de God van zijn vader David te zoeken, en in het twaalfde jaar begon hij Juda en Jeruzalem te reinigen van de hoogten, de gewijde palen, de gesneden en de gegoten beelden.
Psalmen 78:58
zij tergden Hem door hun hoogten, wekten Hem tot naijver door hun beelden.
Jesaja 15:2
Men gaat op naar de tempel, Dibon naar de hoogten om te wenen; in Nebo en Medeba jammert Moab; ieders hoofd is kaal geschoren, elke baard is afgesneden.
Jesaja 16:12
En wanneer Moab verschijnt, zich aftobt op de hoogte en naar zijn heiligdom komt om te bidden, dan zal het niets vermogen.
Jesaja 36:7
En als gij tot mij zegt: Wij vertrouwen op de Here, onze God; is Hij niet dezelfde, wiens offerhoogten en altaren Hizkia heeft verwijderd, terwijl hij tot Juda en Jeruzalem zeide: voor dit altaar zult gij u neerbuigen?
Jeremia 7:31
en zij hebben de hoogten van Tofet gebouwd, die zich in het dal Ben-hinnom bevinden, om hun zonen en dochters met vuur te verbranden, hetgeen Ik niet geboden heb en wat in mijn hart niet is opgekomen.
Jeremia 19:5
en zij de hoogten van de Baal gebouwd hebben om hun kinderen als brandoffers voor de Baal met vuur te verbranden, iets wat Ik niet geboden noch uitgesproken heb en wat Mij niet in de zin is gekomen.
Jeremia 32:35
en zij bouwden de hoogten van de Baal, die zich in het dal Ben-hinnom bevinden, om hun zonen en dochters aan de Moloch te wijden, wat Ik hun niet geboden had en wat bij Mij niet opgekomen was, het bedrijven van deze gruwel om Juda te doen zondigen.
Jeremia 48:35
Zo maak Ik bij Moab, luidt het woord des Heren, een einde aan hem die een hoogte bestijgt en voor zijn god offers ontsteekt.
Ezechiël 6:3
profeteer tegen hen en zeg: bergen Israëls, hoort het woord van de Here Here: zo zegt de Here Here tot de bergen en de heuvelen, tot de beekbeddingen en de dalen: zie, Ik breng het zwaard over u en uw hoogten zal Ik vernietigen.
Ezechiël 6:6
Overal waar gij woont, zullen de steden verwoest worden en de hoogten een wildernis worden, opdat uw altaren verwoest en verlaten, uw afgoden verbroken en vernietigd, uw wierookaltaren afgehouwen en uw maaksels verdelgd worden.
Ezechiël 16:16
Gij hebt van uw klederen genomen, de hoogten kleurig gemaakt en daarop ontucht gepleegd; nooit is zo iets voorgekomen en nooit zal het weer geschieden.
Ezechiël 20:29
En Ik zeide tot hen: Wat is dat voor een hoogte, waarheen gij opgaat? Daarom wordt zij Hoogte genoemd tot op de huidige dag.
Ezechiël 36:2
Zo zegt de Here Here: omdat de vijand van u gezegd heeft: ha, eeuwige hoogten zijn in ons bezit gekomen,
Hosea 10:8
En verwoest worden de hoogten van Awen, Israëls zonde. Doornen en distelen zullen hun altaren overwoekeren. En zij zullen zeggen tot de bergen: Bedekt ons, en tot de heuvelen: Valt op ons!
Amos 7:9
Isaaks hoogten zullen verwoest en Israëls heiligdommen vernield worden, en tegen Jerobeams huis zal Ik optreden met het zwaard.
Micha 1:5
Om Jakobs overtreding is dit alles en om de zonden van het huis Israëls. Wat is Jakobs overtreding? Is het niet Samaria? En wat (de zonde van) Juda's hoogten? Is het niet Jeruzalem?

Anders vertaald.

Ezechiël 43:7
en Hij zeide tot mij: Mensenkind, (dit is) de plaats van mijn troon en de plaats mijner voetzolen, waar Ik wonen zal onder de Israëlieten tot in eeuwigheid; het huis Israëls zal mijn heilige naam niet meer verontreinigen zij noch hun koningen, met hun ontucht en met de lijken van hun koningen na hun dood.

Een ander woord wordt gebruikt in 1 Samuël 22:6.