Διακονος

Één van de woorden voor dienaar. Er komen verschillende woorden op deze stam voor.

Διακονος - dienaar

Mattheüs 20:26
Zo is het onder u niet. Maar wie onder u groot wil worden, zal uw dienaar zijn,
Mattheüs 22:13
Toen zeide de koning tot de bedienden: Bindt hem aan handen en voeten en werpt hem uit in de buitenste duisternis; daar zal het geween zijn en het tandengeknars.
Mattheüs 23:11
Maar wie de grootste onder u is, zal uw dienaar zijn.
Marcus 9:35
En Hij ging zitten, riep de twaalven en zeide tot hen: Indien iemand de eerste wil zijn, die zal de allerlaatste zijn en aller dienaar.
Marcus 10:43
Zo is het echter onder u niet. [Contaminatie met Mt 23:11]
Johannes 2:5
Zijn moeder zeide tot hen, die bedienden: Wat Hij u ook zegt, doet dat!
Johannes 2:9
Toen nu de leider van het feest het water proefde, dat wijn geworden was (en hij wist niet, waar deze vandaan kwam, maar de bedienden, die het water geschept hadden, wisten het) riep de leider van het feest de bruidegom, en hij zeide tot hem:
Johannes 12:26
Indien iemand Mij wil dienen, hij volge Mij, en waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn. Indien iemand Mij dienen wil, de Vader zal hem eren.
Romeinen 13:4
Zij staat immers in dienst van God, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet wees dan bevreesd; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; zij staat immers in de dienst van God, als toornende wreekster voor hem, die kwaad bedrijft.
(Letterlijk beide malen: 'van God immers is zij een dienaar'.)
Romeinen 15:8
Ik bedoel namelijk, dat Christus ter wille van de waarachtigheid Gods een dienaar van besnedenen geweest is, om de beloften, aan de vaderen gedaan, te bevestigen,
Romeinen 16:1
Ik beveel Febe, onze zuster, tevens dienares der gemeente te Kenchreeën, bij u aan,
1 Korinthiërs 3:5
Wat is dan Apollos? Of wat is Paulus? Dienaren, door wie gij tot geloof gekomen zijt, en wel zoals de Here dit aan een ieder geschonken heeft.

Traditioneel worden de in Handelingen 6:3-6 aangestelden als diakenen gezien.

1 Timotheüs 3:8-13
Evenzo moeten de diakenen waardig zijn, niet met twee tongen sprekende, niet verzot op veel wijn, niet op winstbejag uit, maar het geheimenis des geloofs bewarend in een rein geweten. Laten ook dezen eerst op de proef gesteld worden, om daarna, als zij onberispelijk blijken, hun dienst te vervullen. Evenzo moeten [hun] vrouwen zijn: waardig, geen kwaadspreeksters, nuchter, betrouwbaar in alles. Diakenen moeten mannen van één vrouw zijn, hun kinderen en hun eigen huis goed bestieren. Want zij, die hun dienst goed hebben vervuld, verwerven zich een ereplaats en veel vrijmoedigheid om te spreken door het geloof in Christus Jezus.

Zoals bijvoorbeeld uit Romeinen 16:1 blijkt, kan een διακονος zowel een man als een vrouw zijn.