Αλειφω

Αλειφω, letterlijk: glad, glibberig (λειος) maken, en verwante woorden hebben een nadrukkelijk niet-religieus karakter (zie zalf). Voor rituele zalving wordt χριω gebruikt.

Αλειφω
Smeren met olie ter verzorging. (Volgens de Talmoed (Jer. Ber. ii, 2) was het bereiden van een mengsel van olie, wijn en water als genezende balsem ook op de Sabbat geoorloofd.
Mattheüs 6:17
Maar gij, zalf uw hoofd, als gij vast, en was uw gelaat,
Marcus 6:13
En zij dreven vele boze geesten uit en zalfden vele zieken met olie en genazen hen.
Marcus 16:1
En toen de sabbat voorbij was, kochten Maria van Magdala en Maria (de moeder) van Jakobus, en Salome specerijen om Hem te gaan zalven.
Lukas 7:38
en zij ging wenende achter Hem staan, bij zijn voeten, en begon met haar tranen zijn voeten nat te maken en droogde ze af met haar hoofdhaar, en kuste zijn voeten en zalfde ze met de mirre.
Lukas 7:46
Met olie hebt gij mijn hoofd niet gezalfd, maar zij heeft met mirre mijn voeten gezalfd.
Johannes 11:2a
Maria was het, die de Here gezalfd had met mirre en zijn voeten met haar haren had afgedroogd.
Johannes 12:3
Maria dan nam een pond echte, kostbare nardusmirre, en zij zalfde de voeten van Jezus en droogde zijn voeten af met haar haren; en de geur der mirre verspreidde zich door het gehele huis.
Jakobus 5:14
Is er iemand bij u ziek? Laat hij dan de oudsten der gemeente tot zich roepen, opdat zij over hem een gebed uitspreken en hem met olie zalven in de naam des Heren.
Αλειμμα
Insmering ter verzorging - van dingen, of (niet-religieus) van mensen. In het Nieuwe Testament komt dit woord niet voor, wel in de Septuagint (Jesaja 61:3).

In de Septuagint komt αλειφω onder meer voor in Ruth 3:3, 2 Samuël 12:20, Micha 6:15, Genesis 31:13, 2 Kronieken 28:15, Ezechiël 13:10-15.

Daniël 10:3 heeft "αλειμμα niet αλειφω" - met insmering smeerde ik mij niet in.