Occasionalisme

Als ik een wereld met andere, in die wereld agerende, geesten droom, droom ik zowel hun wilsbesluiten als de daardoor ontstane veranderingen in die wereld. Omgekeerd droom ik ook actief de overeenkomst tussen die wereld en hun waarnemingen. Mijn geest verzorgt de overeenkomst tussen hun geest en de stof van hun wereld.

Het occasionalisme stelt dat de transcendente geest van onze wereld dezelfde rol vervult, en dat het de samenhang van diens droom is die verklaart dat en hoe geest en stof overeenkomen.

Immanent valt dit te vergelijken met virtuele werkelijkheid (virtual reality): een computer leest mijn intentie af (in dit geval aan mijn bewegingen in de reële wereld, bijvoorbeeld via kleding met sensoren) en creëert dan de corresponderende gevolgen binnen de virtuele wereld. Slechts op die indirecte wijze is mijn intentie causaal effectief.

Tegenwerping (God auteur van het kwaad):
Als het occasionalisme waar is is God de schepper van iedere gebeurtenis — en dus de laatstverantwoordelijke voor alle kwaad. God begaat alle kwaad dat de zondaar (die geen causale macht heeft) enkel wil.
Antwoord:
Het occasionalisme zelf verschuift Gods rol van die van auteur naar die van „accessory” zoals politieagenten die iemand tot misdaad verleiden (de intentie in die persoon doen ontstaan) schuldig zijn, maar agenten die een „sting operation” plegen — slechts (zogenaamd) behulpzaam zijn bij de uitvoering — niet. Nu zijn die agenten ook onschuldig aan de uitvoering, daar ze die juist willen verhinderen, terwijl God die uitvoering toelaat — meer zoals ouders die een kind de vrijheid geven, wetende dat het die soms zal misbruiken.
Één verschil is de intentie. Wij mogen iemand met ondraaglijke pijn een pijnstiller toedienen, ook al verhaast dat de dood. We mogen die pijnstiller niet toedienen om de dood te verhaasten. God kan kwaad toelaten om vrijheid, een groot goed, te verschaffen.
Er is echter meer — en dat moet ook, want de Almachtige behoeft nooit kwaden tegen elkaar af te wegen om het minste te kiezen. ((Te doen. Transcendentie. In het flauwste geval: wij zijn niet schuldig als we een goed boek schrijven waarin een slechterik voorkomt die kwaad bedrijft. Niemand lijdt meer dan hij verdient. Ieder „kwaad” werkt mee die persoon, zo mogelijk, te redden.))

((Te doen.))

Transcendent compatibilisme zorgt dat de immanente persoon denkt en doet wat de transcendente geest van die persoon wil, en immanent determinisme produceert daarvan de uitwerking. Behalve dat het gehele bestaan rust op Gods onderhoudende zorg staat God buiten de causale lijn die tot het kwaad leidt.

Dit alles bewijst slechts de mogelijkheid dat God onschuldig is. Hoe alles werkelijk werkt weten we niet, en Gods onschuld is een (alleszins plausibel) gegeven a priori.