Transcendentie — een parabel

Dit verhaal speelt in de jaren vijftig, hoewel ik het schreef op een avond in 2008, en het vangt aan op klokslag vier uur ʼs middags, als Jan, bezweet, het tuinhekje opent. Terwijl hij zijn fiets de tuin inrijdt en in het schuurtje stalt, openbaar ik mijzelf aan zijn kleine zusje Mies, met als gevolg dat juist als Jan de keuken binnenstapt, zij de trap af komt rennen.

„Hoe was je dag?”, vraagt moeder. „Ging wel”, mompelt Jan, zich afvragend hoe hij die vijf min voor biologie kon melden zonder een preek over zich af te roepen.

„Jij hebt helemaal geen biologiecijfer teruggekregen”, meldt Mies vrolijk. Jan draait zich als door een wesp gestoken om: „Wat weet jij van mijn cijfers, en wat bedoel je met ‚niet teruggekregen’”, vroeg hij.

„Hihi, wist je dat deze wereld een verhaal was? De schrijver heeft me er alles over verteld, en dit verhaal is pas begonnen om vier uur, en alles daarvóór bestaat alleen maar in je herinnering, en is niet echt gebeurd. Jij bent nooit naar school geweest, en zult ook nooit naar school gaan.”

„Klets geen onzin, Mies. Hoezo alleen herinnering? Hoe verklaar je dit dan?” Jan haalt zijn schriften te voorschijn en toont de aantekeningen, in zijn kenmerkende vlekkerige handschrift. „Hier, de aantekeningen van vandaag, van gisteren, en van het gehele kwartaal. Bestaan die lessen soms ook alleen maar in mijn herinnering?”

„Of in de gedachten van de schrijver — of misschien ook wel niet. Misschien weet hij wel helemaal niet wat jij geleerd hebt. Het maakt namelijk geen deel uit van zijn verhaal, en dat gehele verleden bestaat daarom niet in werkelijkheid.”

Nu komt Jan pas echt op dreef. „Dus de verhalen van Pa over zijn werk in het Verzet zijn ook allemaal niet echt gebeurd? Is hij dan een leugenaar?”

„Neen! Pa is helemaal geen leugenaar! Wat hij vertelt hoort bij de geschiedenis van deze wereld, maar — nou ja, ik weet ook niet meer precies hoe ik het zeggen moet. In ieder geval ben jij vandaag niet naar school geweest, en ik ook niet.”

„Zeg eens, meisje”, onderbreekt moeder op bezorgde toon, „je hebt toch niet gespijbeld of zo?”

„Neen hoor, Ma, maak je maar geen zorgen, dat bedoelt ze helemaal niet”, schiet Jan zijn zusje te hulp. „Maar Mies, die biologieles waar je het net over had, die ging toevallig wel over de ontwikkeling van een bevruchte eicel totaan een volwassene. Welnu, die ontwikkeling laat sporen na die nog in mijn en jouw lichaam te vinden zijn, en dat weerlegt jouw sprookje over een schepping eerder vandaag.”

Hun gesprek zou nog heel lang hebben kunnen duren, ware het niet dat ik hier het verhaal beëindig.