Voor­kennis en na­kennis

Naast de vraag wat die kengrond wel mag zijn is er natuurlijk ook de vraag wat die grond ons dan wel leert. Hier wordt de aard van die kennis behandeld; in Voorkennis wordt de inhoud er van beschouwd.

Wijsgeren maken onderscheid tussen wat ze noemen kennis a priori (voorkennis) en kennis a posteriori (nakennis). Nakennis („a posteriori” betekent „achteraf”) is de gewone, alledaagse kennis die je op kunt doen door goed om je heen te kijken, of een leerzaam boek te lezen. Voorkennis („a priori” betekent „vooraf”) is wat mysterieuzer, want die hebben we zonder haar geleerd te hebben.

Hoe weet ik dat allemaal? Misschien is er wel helemaal geen buitenwereld of tijd, of is het juist een dure plicht alle mensen om mij heen langzaam in plakjes te snijden.

Drie maal drie is negen — dat heb ik weliswaar op school geleerd, maar als ze me geleerd hadden dat het tien was zou ik dat op een gegeven moment niet meer geloofd hebben. En dat zou dan niet door ervaring komen, want ook dat twaalf keer twaalf honderdvierenveertig is, of nog ingewikkelder sommen, kan ik controleren zonder voorbeeld.

Binnen de voorkennis onderscheiden wijsgeren dan nog de analytische kennis a priori: dat is kennis die nogal wiedes is, zoals „alle kale mannen zijn kaal” (of: „alle kale mannen zijn man”). Dergelijke kennis van zaken die per definitie waar zijn wordt wat minder mysterieus gevonden dan de andere voorkennis, die synthetische kennis a priori wordt genoemd.

((Nog te doen.))

Sommige kennis is niet analytisch, maar toch zeker voor ons. Een vlak dat egaal helgeel is kan nooit tegelijk egaal hardgroen zijn, daar zijn we absoluut zeker van. Dat is geen ervaringskennis (elke dag gaat de zon op), want ervaring biedt nooit absolute zekerheid. Ook is het geen analytische kennis, want het begrip „geel” bevat in zijn definitie niet „niet groen” — tenzij we al een kleurentheorie veronderstellen, maar waar kennen we die dan van?

Deze kennis komt niet voort uit de ervaring, maar wordt er wel door opgeroepen: door het zien van enkele gekleurde vlakken komen we tot deze radicale overtuiging omtrent alle mogelijke gekleurde vlakken, of nog algemener: wat ons op een bepaalde manier aandoet, kan ons nooit tegelijk op een daarmee strijdige andere manier aandoen, en twee verschillende kleuraandoeningen zijn in die zin strijdig. (Evenals zwaar-licht, warm-koud, enz.)

Let op het verschil met een oordeel als „ieder fysiek object is ruimtelijk uitgebreid”. We kunnen tot dit oordeel komen, maar al verder nadenkend kunnen we dan alsnog concluderen dat het niet onmogelijk is dat er oneindig-kleine puntvormige fysieke objecten bestaan — ook al zullen we die nooit kunnen waarnemen.

Ook gaat het in alle gevallen om een recht of plicht. Men heeft het recht een correct analytisch of moreel oordeel aan te nemen, en de plicht een incorrect oordeel af te wijzen. Ze zijn dus niet vrijblijvend.

Onze overtuigingen a priori worden ook — zeer feilbaar — psychologisch ondersteund.