Het bestaan

In Transcendente wereldbeelden heeft de zijnsvraag twee zijden. Naast de vraag naar de grond voor het bestaan van de wereld, de vraag die ook in immanente en solipsistische wereldbeelden speelt, hebben we nu ook de vraag naar het bestaan van God.

Tegenwerping (Onverklaarbaar bestaan-op-zich):
Er bestaat iets, terwijl er ook niets had kunnen bestaan. Dit feit dat er überhaupt iets bestaat kan niet verklaard worden met een verwijzing naar God, want het bestaan van die God maakt zelf deel uit van het probleem. Dit „oer­bestaan”, het grootste van alle raadselen, heeft dus, als het al een antwoord heeft, een antwoord buiten God. Dat maakt het onwaarschijnlijk dat andere, kleinere raadselen die God wel nodig hebben als oplossing.
Antwoord:
Dit argument is heel krachtig, en het raadsel van het oerbestaan is onoplosbaar voor de solipsist of de naturalist. De transcendentist kan het inderdaad ook niet oplossen met een kale verwijzing naar een hoger niveau: God moge deze wereld geschapen hebben, maar waar komt God dan vandaan? Één mogelijk antwoord ligt in de mogelijkheid van God als totaal contingent Wezen, of de nauw verwante idee van God als informatieloze verklaring.
Een andere richting waarin een oplossing mogelijk is is die van de verschillen tussen de transcendentieniveaus. Wij kunnen ons werelden dromen waarin andere wetten — ook logische — gelden dan in onze werkelijkheid. Zo kunnen wij ons een wereld voorstellen waarin niets zonder kleur kan zijn, of een wereld waarin existentie (het bestaan, dát iets is) noodzakelijk vooraf gaat aan essentie (het wezen, wát iets is). Dergelijke andere wetten geven aanleiding tot andere bestaansparadoxen, en op gelijke wijze is het mogelijk dat het op het één of andere hogere niveau helemaal niet mogelijk is dat er niets zou bestaan. Als op dat niveau God een wereld heeft bedacht waarin nonexistentie wel mogelijk is (misschien om ons met onze neus te drukken op het feit dat er meer is tussen hemel en aarde), zitten wij nu op ons niveau te piekeren over een raadsel dat op een hoger niveau niet alleen een oplossing heeft, maar niet eens bestaat.
Tegenwerping (Oorzaak vóór gevolg):
Wij leven in een onveroorzaakte wereld, want oorzaken gaan altijd vooraf aan hun gevolgen, en er is geen tijd buiten (en dus vóór) het universum.
Antwoord:
In het dagelijks leven zien wij inderdaad dat immanent gevolg na oorzaak komt — en deze tegenwerping is dan ook een wezenlijk probleem voor de immanentist, een tegenvoorbeeld tegen het beginsel van toereikende grond.
Transcendente oorzaken hebben die beperking echter niet: stel dat een bepaalde hersenactiviteit de oorzaak is van mijn droom. Dan komt mijn droom op mijn niveau na die activiteit, maar binnen de droom komt die activiteit in het geheel niet voor, tenzij als ingressie, en dan komt ze ná het aanvangsmoment van die droom.

((Te doen.))

Er is nu een dubbel beginsel van toereikende grond. Er is het immanente beginsel — naar mijn overtuiging determinisme — en het transcendente beginsel: de reden dat de dingen zijn zoals ze zijn is doordat een transcendente geest dat zo wilde (zoals het verloop van een verhaal over een deterministische wereld door de auteur wordt bepaald). „Een” transcendente geest, want de schepper kan deelgeesten vrij laten beslissen — Adams keuze was die van Adams vrije transcendente geest, niet opgelegd door God.

Het te verdedigen beginsel:

Ieder feit heeft een afdoende grond.
Het ontbreken van determinisme is afdoende grond voor vrijheid (en dus geest).
Vrijheid is afdoende grond voor keuze waar die bestaat.
Logisch eerdere keuzen kunnen grond voor latere feiten zijn.
Feiten kunnen grond voor andere feiten zijn.