Tegenargumenten

Tegenwerping (Onwetenschappelijke godshypothese):
„Wetenschap vergt herhaalbaarheid, en dit is een oncontroleerbare, onherhaalbare en onwetenschappelijke hypothese.”
Antwoord:
Hierop zijn minstens drie antwoorden mogelijk. Allereerst vergt wetenschap geen herhaalbaarheid, zoals ik elders heb uiteengezet (natuurwetenschap soms wel, maar ook niet altijd, getuige de sterrenkunde). Vervolgens zijn we hier protomethodologisch bezig, en dan geldt consequentie en samenhang, geen bewijsbaarheid. En tenslotte is het bouwen van droomwerelden heel herhaalbaar op kleinere schaal: ieder van ons met fantasie kan het doen. Dit laatste maakt enerzijds natuurwetenschappelijk onderzoek mogelijk, en leidt anderzijds tot tentatieve verklaringen en (deel)hypothesen door analogie.
Tegenwerping (Ockham weerlegt transcendentisme):
Het transcendentisme voegt aan de observeerbare wereld nog een niet-waarneembare geest toe, in strijd met Ockhams scheermes. Met de woorden die Pierre-Simon, marquis de Laplace waarschijnlijk nooit gesproken heeft: „Je n'ai pas besoin de cette hypothèse” (Augustus De Morgan: A budget of paradoxes, The Atheneum 17, 1864).
Antwoord:
Voor sommige vormen van transcendentisme is dat zonder meer waar. Bij andere wordt daarentegen is die geest niet zozeer een toevoeging, maar een vervanging van talloze ad-hoctoevoegingen, met als resultaat een veel eenvoudiger geheel.
Volgens de traditie sprak Laplace die woorden tegen Louis Napoleon, toen die hem vroeg waarom God niet figureerde in zijn beschrijving van het heelal. Hij had natuurlijk gelijk: onze beschrijvingen van hoe de wereld normaliter werkt bevatten God niet — Gods voorkomen in zo'n beschrijving zou betekenen dat we een wonder beschrijven, een direct ingrijpen van God, een niet-normale situatie.
(Door sommigen wordt die uitspraak gekoppeld aan Laplace's ontdekking dat de onregelmatigheid in de banen van Jupiter en Saturnus periodiek was, en er geen ingrijpen van God nodig was om het planeetstelsel stabiel te houden.)
Verder verklaart het transcendentisme de quantenmechanica.
Tegenwerping (God onvindbaar):
Dus dat betekent dat God nooit te vinden is, op eventuele wonderen na.
Antwoord:
Neen, het betekent dat we de God enkel kunnen vinden met de juiste methoden. Een natuurkundige kan Rembrandt van Rijn niet vinden door een schilderij te onderzoeken, maar een kunstkenner kan dat wel: uit dezelfde verdeling van pigmenten over het doek waarnaar de natuurkundige kijkt leidt hij de manier waarop het geschilderd is af, en in die schilderwijze kan hij de schilder herkennen. Natuurlijk, hij kan zich vergissen, en een goede leerling van Rembrandt voor de meester zelf aanzien, maar hij zal geen Rembrandt vinden als Pablo Picasso de schilder is, of als het doek door een aardbeving in een verfwinkel besmeurd is geraakt.
Tegenwerping (God onwaarschijnlijk):
Er zijn oneindig veel mogelijke entiteiten, maar slechts eindig veel actuele entiteiten. Dat betekent dat iedere mogelijke entiteit — en dus ook God — een uiterst kleine waarschijnlijkheid heeft.
Antwoord:
((Te doen. Dit gaat over a priori waarschijnlijkheid, maar we hebben a posteriori informatie die die kansen verandert. Verder is God niet een onafhankelijke entiteit, maar één die samenhangt met het bestaan van de wereld (gegeven mijn bestaan is het bestaan van mijn moeder ook minder onwaarschijnlijk). Ook is God zoals hier beschouwd definieerbaar door een proces: wat ook de uitkomst van het bestijgen van de transcendentieladder is; als het een geest is is dat wat we „God” noemen. Tenslotte is God geen bestaande binnen deze wereld, dus geen entiteit in de groep die hier beschouwd wordt.))
Tegenwerping (God zelfstrijdig):
De beschrijving van God is incoherent; het weerspreekt noodzakelijke waarheden.
Antwoord:
Dat valt nog te bezien (hetgeen we in het vervolg hopen te doen), maar al zou dat zo zijn — wat maakt die waarheden noodzakelijk? Iemand die de derde dimensie aan een tweedimensionaal wezen wil uitleggen, en vertelt dat lijn A loodrecht op zowel lijn B als lijn C staat, krijgt als antwoord dat in dat geval B en C noodzakelijk parallel lopen. Zijn bewering dat B en C ook onderling loodrecht staan wordt gezien als bewijs dat hij onzin uitkraamt. Noodzaak bestaat enkel binnen een context, en het hoogste wezen bestaat niet binnen een context.

((Meer oplossingen van zaken die in het naturalisme problematisch zijn uitschrijven.))