Verklaart het bestaan van veel werelden de anthropie?

((Niet te verwarren met het mogelijke-wereldenmodel uit de modale logica of met droomwerelden.))

Tegenwerping (Multiversum verklaart anthropie):
Misschien is er wel een zeer grote of zelfs oneindige collectie werelden, met alle mogelijke combinaties van natuurconstanten, zodat het aannemelijk wordt dat de onze ook ergens in die verzameling opduikt. Er is in de Verenigde Staten ooit een beurs­fraude geweest waarbij iemand beweerde de beursrichting (op of neer) te kunnen voorspellen, en gratis voorspellingen rondstuurde. Na tien correcte voorspellingen kwam dan het aanbod tegen betaling verder te gaan. In werkelijkheid stuurde de man ruim een miljoen brieven met de eerste voorspelling, de helft voorspelde dat de beurs omhoog zou gaan, en de andere helft dat de beurs omlaag zou gaan. De tweede voorspelling stuurde hij op dezelfde wijze enkel naar hen die een correcte eerste voorspelling hadden ontvangen. Aan het eind waren er duizend mensen die tien correcte voorspellingen hadden ontvangen, waarvan de meesten diep onder de indruk intekenden. In werkelijkheid had de man natuurlijk helemaal geen voorspellende gave, en op dezelfde manier zit er wellicht ook geen ontwerp achter dit universum.
Antwoord:
Deze veronderstelling laat het probleem der anthropische uniciteit voluit bestaan, alsook de meeste vormen van anthropische actualiteit. In een poging de natuurkundige anthropie te verklaren introduceert het een enorm aantal, ieder op zich complexe en ook onderling verschillende, universa — Willem van Ockham zou zich omdraaien in zijn graf. Voor het bestaan van die andere werelden is natuurlijk geen spat bewijs, maar ze bevatten wel informatie: al die constanten hebben daar immers andere waarden. Er wordt dus een oneindige hoeveelheid onkenbare informatie gepostuleerd en als „verklaring” — en een verklaring wordt nu juist geacht beschrijvingen te verkorten. En dat al die extra informatie onkenbaar is betekent dat deze aanname de wereld minder, en niet meer beschrijfbaar maakt, zoals als volgt valt in te zien.
Op onze verwondering dat er natuurwetten zijn, zal het antwoord luiden: er gebeurt van alles in allerlei werelden, en de onze is er toevallig eentje waarin deeltjes zich een hele reeks keren volgens bepaalde regels hebben gedragen — er is sprake van een orde-eiland. Maar net als die beursvoorspellingen uit het verleden geen garantie gaven voor de toekomst geeft het deeltjesgedrag uit het verleden dat ook niet. Inductie is dus onmogelijk geworden.
Een voorbeeld: stel dat alle munten bij opwerpen altijd met kruis boven zouden neerkomen. Op een gegeven moment zouden we dat als natuurwet gaan formuleren. Maar als het enkel toeval is, als wij toevallig in een heelal wonen waarin dat zo gebeurde, geeft die wet ons geen enkel houvast: hoogstwaarschijnlijk zal er binnenkort wel een keer munt boven komen. Nu zitten we in een heelal waar iedere dag de zon op gaat. Hetzelfde argument zegt ons dat we niet mogen verwachten dat dat morgen weer zal gebeuren. Als de veelwerelden­hypothese iets kan verklaren kan ze (op „er gebeuren dingen” na) alles verklaren, en kunnen we al onze andere verklaringen in de prullenbak gooien — het einde der wetenschap.
In ieder geval veronderstelt de veel-wereldenhypothese dat men geen positivist is, want voor de positivist heeft de bewering dat er dergelijke andere werelden bestaan geen betekenis. Vergelijk dit met „God bestaat” — dat is wellicht niet falsificeerbaar, maar er zijn wel verificatiescenario's te bedenken. Het bestaan van die andere werelden is aantoonbaar noch weerlegbaar. Ook is de veronderstelling strijdig met de standaardinterpretatie van de quantenmechanica, volgens welke er zonder waarnemer geen wereld bestaat.
((Vergelijk de veel-werelden­repliek bij de vraag „Hoe komt het dat er uitgerekend op deze planeet leven is?”. We kunnen wijzen op de gunstige omstandigheden, en een evolutionist kan wijzen op het grote aantal planeten met die omstandigheden plus de kleine kans op het ontstaan van leven. Het eerste antwoord is in zekere zin anthropisch; het tweede is een realistisch veel-wereldenargument, en erkent dat het net zo goed anders had kunnen zijn, dat we dus geen wetmatigheid mogen aannemen.
(En als deze werelden bestaan hebben ze een kansverdeling. Zijn hogere of lagere waarden van een bepaalde constante algemener? Daarmee bestaan ze in een metawereld die een beschrijving heeft die uniek is — een geval van niets uit niets. Waarom heeft die metawereld precies die vorm? Of bestaan er veel metawerelden — in een metameta­wereld?)
Zoals Jürgen Schmidhuber het stelt, natuurlijk is de voorwaardelijke kans dat wij ons ergens bevinden waar wij kunnen bestaan gelijk aan 1, maar hieruit kan niet geconcludeerd worden dat de zwaartekracht morgen niet geheel anders zal zijn. Voor voorspellende kracht moeten we de kansverdeling van universa kennen, de „prior distribution”.))
Tegenwerping (Veel-wereldenhypothese Ockham-proof):
De beschrijving van één universum kost wellicht veel informatie, maar ieder volgend universum kost enkel de informatie nodig voor de waarden van de natuurconstanten, daar de rest gelijk is. En een regel als „voor iedere combinatie van natuurconstanten bestaat er een wereld met die waarden” beschrijft een afdoende verzameling in één kort zinnetje. Ockham zou juichen bij deze oplossing.
Antwoord:
((Te doen — het volgende hoort elders.))
Om te weten of „ons” universum te verwachten is in een veel-werelden­model dienen we de hoeveelheid werelden te kennen (indien oneindig: welk oneindig), de grootte van de ontwerpruimte (weer: indien oneindig, welk oneindig) en de kansverdeling over die ruimte. Een constante kansverdeling over een oneindige maat bestaat niet, dus de verdeling moet bepaalde waarden bevoordelen en andere benadelen.
Het proces dat een oneindigheid aan universa genereert zal waarschijnlijk een oneindige tijd nodig hebben — als die tijd aftelbaar is kan ieder universum na eindige tijd ontstaan (maar dat hoeft niet, zoals wanneer universa ontstaan door het steeds verder specificeren van een oneindige bitreeks).

Er is nog geen verklarend model, maar inflatietheorieën leiden noodzakelijk tot een multiversum. Als er een model gevonden zou worden dat op andere punten testbaar is en die tests doorstaat zou dat evidentie voor een multiversum zijn. Supersnaar­theorie (of kortweg snaar­theorie) stelt dat al die constanten noodzakelijk de waarden hebben die ze hebben — dat er maar één constante is waarvan de waarde in verschillende universa zou kunnen verschillen, en dat is de snaar­stijfheid. Dat zou het multiversum als verklaring de das omdoen, en het probleem der anthropische uniciteit acuut maken: hoe komt het dat juist die éne combinatie van waarden die leven toelaat theoretisch mogelijk is? Max Tegmark geeft een overtuigend argument dat we waarschijnlijk de enige intelligentie in het heelal zijn — wat het probleem des te prangender maakt.

De twee metafysische hypothesen —ontwerp” en „veel werelden” staan tegenover elkaar. Wij hebben totaal geen aanwijzingen voor een multiversum, maar, zoals dit boekje hoopt aan te tonen, wel voor ontwerp (en een Ontwerper).

((Te doen.))

Aparte pagina over inflatie onder Kosmologie maken.

Een inflatoir multiversum zou zichtbaar moeten zijn: de achtergrondstraling zou sporen van botsingen tussen universa moeten bevatten. Dit is nagegaan, maar zulke sporen ontbreken: Stephen M.­Feeney, Matthew C.­Johnson, Daniel J.­Mortlock, Hiranya V.­Peiris: First Observational Tests of Eternal Inflation.

Eternal inflation voorspelt een multiversum — maar is zelf naar het lijkt onhoudbaar.

Veel multiversumtheorieën (waaronder eternal inflation leiden tot de overweldigende waarschijnlijkheid dat ik een Boltzmannbrein ben. En als dat waarschijnlijk is is het nagenoeg even waarschijnlijk dat mijn — door toeval ontstane — natuurkundige ideeën geen enkele relatie tot de werkelijkheid hebben, en dat dus mijn multiversumtheorie nagenoeg zeker onjuist is (en niet een beetje onjuist, maar voor iemand die de waarheid kent zelfs niet herkenbaar als een poging tot beschrijving van de werkelijkheid).

Een multiversum als verklaring is niet zo sterk als men soms denkt. Als ik door een eskadron van tien mensen, die ieder een kans van één procent hebben per ongeluk mis te schieten, is de kans dat ik het daardoor overleef zo'n één op de miljoen. Ste; dat de kans dat iemand hen omgekocht heeft om mis te schieten één op de duizend is, dan mag ik als ik de schietpartij overleef concluderen dat ik het bijna zeker door omkoping overleefd heb — en die conclusie verandert niet als ik leer dat er vele miljoenen vergelijkbare executies zijn geweest, waardoor het bestaan van mensen die het door per ongeluk misschieten overleefd hebben bijna zeker is.

In werkelijkheid ligt de situatie nog anders: hetzij het levensvriendelijk-heelalgenererende proces is natuurlijk, hetzij het is bovennatuurlijk.

P is atheïst op grond van het feit dat iedere wereld ergens in het multiversum bestaat, inclusief de onze. Er is dus geen God nodig als verklaring. Als dat multiversum bestaat is er ergens een wereld waarin P theïst is, juist op grond van het feit dat er niet slechts een universum, maar zelfs een multiversum bestaat. Waarom zou het argument van P hier zwaarder wegen dan het argument van P daar? Hij trekt zijn conclusie niet omdat die redelijk (laat staan waar) is, maar doordat hij nu eenmaal toevallig in een universum bestaat waarin hij die conclusie trekt.