Relatieve en absolute verwijzingen

Verwijzen is mogelijk door naamgeving („Marietje”) of door unieke beschrijving („Het roodharige meisje op de eerste rij”).

((Te doen.))

Een uiting kent een uiter (een „ik”), en daarmee een speciaal punt in de wereld. Wij spreken vaak van „hier” of „nu”, en nog vaker laten we die woorden weg, terwijl we ze wel bedoelen. Wie zegt „Nederland is een koninkrijk” bedoelt meestal: „Op dit moment is Nederland een koninkrijk”. „Het is warm” betekent doorgaans: „Momenteel is het hier warm”

Relativa treden ook op bij het gebruik van een vergelijking: „Dit is groot”, „Zij is rijker dan ik”. Wat voor een spiering groot is kan voor een blauwe vinvis klein zijn.

Dit is vervant aan in- versus extensie.

Uiteindelijk is iedere alle gecommuniceerde verwijzingen een relatieve verwijzing, een relativum: als ik „Nederland” zeg bedoel ik het land van die naam op aarde — mijn planeet. Al zou ik die planeet eenduidig in het melkwegstelsel kunnen aanduiden, dan nog verwijs ik naar mijn melkwegstelsel. Een groot deel van het heelal ligt voor mij voorbij de ervaringshorizon, dus ik kan ook geen gegarandeerd unieke beschrijving van het melkwegstelsel geven. En iemand in een droomwereld zal de naam begrijpen als verwijzend naar de gedroomde versie van dat land.

Het enige waarlijk absolute is God, als die bestaat — en slechts door van dat vaste punt uit te gaan vallen waarlijk absolute verwijzingen te maken.