Abram of Abraham

Abraham was van Arameese afkomst; zij familie bleef Aramees.

Genesis 10:22-23
De zonen van Sem waren Elam, Assur, Arpaksad, Lud en Aram. En de zonen van Aram waren: Us, Chul, Geter en Mas.
Genesis 22:21
zijn eerstgeborene Us, diens broeder Buz, en Kemuël, de vader van Aram,
(Dit is een latere persoon van dezelfde naam.)
Genesis 25:20
Isaak was veertig jaar oud, toen hij Rebekka, de dochter van Bethuël, de Arameeër uit Paddan-Aram, de zuster van de Arameeër Laban, tot vrouw nam.
Genesis 28:5
Zo zond Isaak Jakob weg, en deze ging naar Paddan-Aram, naar Laban, de zoon van Bethuël, de Arameeër, de broeder van Rebekka, de moeder van Jakob en Esau.
Genesis 28:7
en dat Jakob naar zijn vader en zijn moeder geluisterd had, en naar Paddan-Aram gegaan was
Genesis 31:20
En Jakob misleidde de Arameeër Laban door hem niet te vertellen, dat hij wilde vluchten.
Genesis 31:24
En God kwam in een droom des nachts tot de Arameeër Laban en zeide tot hem: Neem u wel in acht, dat gij met Jakob niet ten goede of ten kwade spreekt.
Deuteronomium 26:5
Daarna zult gij voor het aangezicht van de Here, uw God, betuigen: Een zwervende Arameeër was mijn vader; hij trok met weinige mannen naar Egypte en verbleef daar als vreemdeling, maar werd er tot een groot, machtig en talrijk volk.
Genesis 31:47-48
Beide namen betekenen hetzelfde: stapel der getuigenis; de ene is Aramees, de andere Hebreeuws. Er is dus geen tegenspraak tussen de verzen 47 en 48.

Abram neemt echter een andere identiteit aan: Hebreeër.

Genesis 14:13a
Toen kwam een vluchteling en deelde dit mede aan de Hebreeër Abram;