Het nonidentiteits­probleem

((Uit te werken.))

Als ik (slecht) handel om toekomstige generaties ongelukkiger te maken verander ik de huidige wereld. Welnu, wie geboren zullen worden hangt af van welke zaad- en eicel bijeenkomen, en dat verandert al bij de kleinste verandering in leven (iets later geslachtsgemeenschap hebben bijvoorbeeld). Die gelukkigen mensen wier lot ik wil verslechteren zullen dus in het geheel niet bestaan, en de ongelukkigen die wel ter wereld komen zouden niet hebben bestaan als ik niet gehandeld had. Wie heb ik dan benadeeld? De mensen die door mijn handelen niet zullen bestaan? Of zij die nu weliswaar ongelukkig zullen zijn, maar zonder mijn handelen in het geheel niet bestaan zouden hebben? En als ik niemand benadeeld heb, in welk opzicht ben ik dan slecht? Balansethiek poogt dit te beantwoorden door morele waarde aan de toestand van de gehele wereld, en niet aan een specifieke persoon op te hangen. Dat dit niet gelukt laat onderstaand voorbeeld zien.

Non­identiteit (Derek Parfit). Als er ook maar iets anders gelopen was in de wereld zou ik nooit bestaan hebben (mijn „precair ontstaan”) — dan zou nooit precies deze zaadcel met precies die eicel zijn versmolten. Dat betekent dat ik niet geprofiteerd heb van, zeg, de uitvinding van de stoommachine: immers, als die machine niet was uitgevonden was ik niet slechter af geweest, maar was ik er helemaal niet geweest. Als ik deze conclusie aanvecht door te stellen dat mijn bestaan een positieve waarde heeft en mijn profijt nu juist (mede) dat bestaan betreft, stel ik mij open voor het volgende dilemma. ((Ook: het door nazaten terugeisen van geroofde kunst.))

Als ik gif in het drinkwater stop waardoor mensen zich iets beter voelen, maar gehandicapte kinderen concipiëren doe ik geen kwaad, want die kinderen zouden anders helemaal niet bestaan hebben (aangenomen dat door dat zich beter voelen de ouders een fractie anders in tijd of daad geslachtsgemeenschap hebben. (Ik doe wel kwaad in de impersonele zin dat die ouders nu „een” gehandicapt kind hebben, maar die zienswijze ziet kinderen als goederen, en verder valt het voorbeeld te verfijnen waardoor dit effect wegvalt — stel dat het gif de achterkleinkinderen invalide maakt.)

Als het welzijn van die gehandicapten, hoewel laag, positief is, kunnen zij niet terecht klagen: zonder mijn ingreep hadden ze helemaal niet bestaan! Mogelijk bestaat de gehele (zwaar gehandicapte) wereldbevolking op zeker moment enkel dank zij mijn handelen — zij moeten mij dankbaar zijn!

Parfit geeft het voorbeeld van potverteren: wij maken al onze rijkdommen op, en hebben dus een beter leven, en de mensen na ons bestaan dank zij onze keuzen, en zijn dus ook beter af (hoewel veel slechter af dan degenen die zouden hebben bestaan als wij zuiniger waren geweest).

Als we antwoorden dat de negatieve waarde van het niet ontstane nageslacht opweegt tegen de positieve waarde van het wel ontstane komen we al gauw uit op een keuze voor maximale voortplanting — funest voor de leer die totaal geluk maximaliseert. Maximalisatie van het geluk per persoon wordt ook problematisch als nooit ontstane mensen mee moeten tellen.

Wat in het Engels heet „wrongful life” is het veronderstelde kwaad gedaan aan een gehandicapt kind doordat medici de ouders niet hebben gewezen op de waarschijnlijkheid van de handicap, of de mogelijkheid van abortus. Als het leven van dat kind op zich positief gewaardeerd wordt, hoe kan het dan slecht zijn het geboren te laten worden? Welk kwaad is dit kind aangedaan? („Wrongful birth” dekt het eventuele kwaad de ouders aangedaan.) Dezelfde logica dekt het geval waar een moeder niet wacht met zwanger worden totdat een infectieziekte over is, met een gehandicapt kind als gevolg.

((Te doen.))

Er is een connectie tussen dit argument en het argument dat God geen wereld met kwaad er in zou kunnen scheppen. Als die wereld het bestaan waard is is er geen kwaad gedaan door haar tot aanzijn te roepen — er is geen volmaakte wereld slecht gemaakt.

Het nonidentiteitsprobleem ontstaat door twee aannamen:

  1. Het enige kwaad is slachtofferschap. Als er geen immanent slachtoffer is is er geen kwaad. De meeste transcendente systemen erkennen dat slachtoffers maken slecht is, maar niet dat slechtheid beperkt is tot slachtoffers maken.
  2. Identiteit is gekoppeld aan immanente aard. In een transcendent systeem kan identiteit tussen mogelijke werelden bestaan ook als de identieke wezens niet uit dezelfde zaad- en eicel zijn ontstaan. In zo'n geval kan een gehandicapt kind zeker slachtoffer zijn, ook al zou het uit een andere gametencombinatie ontstaan zijn als de handicapvormende gebeurtenis zich niet zou hebben voorgedaan.