Het toetsen van profetie aan het uitkomen ervan

De belangrijkste specifieke test is: komt de profetie uit?

Deuteronomium 18:21-22
Wanneer gij nu bij uzelf mocht zeggen: Hoe onderkennen wij het woord dat de Here niet gesproken heeft? - als een profeet spreekt in de naam des Heren en zijn woord wordt niet vervuld en komt niet uit, dan is dit een woord, dat de Here niet gesproken heeft; in overmoed heeft de profeet het gesproken, gij zult voor hem niet vrezen.
Jeremia 28:8-9
De profeten die er vóór mij en vóór u van ouds geweest zijn, die hebben over machtige landen en grote koninkrijken geprofeteerd van oorlog, rampspoed en pest; de profeet die van vrede profeteert - als het woord van die profeet komt, zal van die profeet erkend worden, dat de Here hem in werkelijkheid gezonden heeft.
Ezechiël 33:33
Doch als het komt - en het komt! - dan zullen zij weten, dat er in hun midden een profeet is geweest.
(De context is hier van belang: de toehoorders pretenderen al te geloven dat Ezechiël een profeet is.)
Zie ook
Ezechiël 13, en de vervulling in Klaagliederen 2:14-17.

Specifieker: zij zullen weten dat het de ware God is die door de profeet spreekt (1 Koningen 18:24, 1 Koningen 18:36-37, met antwoord in 1 Koningen 18:38).

Exodus 7:5a
Exodus 7:17a
(Mozes zelf zal het weten.)
Exodus 14:4z
Exodus 14:18a
Exodus 16:12z
Exodus 29:46a
Deuteronomium 29:6z
1 Koningen 20:13z
Jesaja 49:23
Jesaja 49:26
Jesaja 60:16z
Ezechiël 5:13z
Ezechiël 6:7z
Ezechiël 6:10a
Ezechiël 6:13a
Ezechiël 6:14z
Ezechiël 7:4z
Ezechiël 7:9z
Ezechiël 7:27z
Ezechiël 11:10z
Ezechiël 11:12a
Ezechiël 12:15a
Ezechiël 12:16z
Ezechiël 12:20z
Ezechiël 13:9z
Ezechiël 13:14z
Ezechiël 13:21z
Ezechiël 13:23z
Ezechiël 14:8z
Ezechiël 15:7z
Ezechiël 16:62z
Ezechiël 17:21z
(„gesproken”)
Ezechiël 17:24
(„gesproken”)
Ezechiël 20:26z
Ezechiël 20:38z
Ezechiël 20:42a
Ezechiël 20:44a
Ezechiël 21:5a
Ezechiël 22:16z
Ezechiël 22:22z
Ezechiël 23:49z
Ezechiël 24:24z
Ezechiël 24:27z
Ezechiël 25:5z
Ezechiël 25:7z
Ezechiël 25:11z
Ezechiël 25:17z
Ezechiël 26:6z
Ezechiël 28:22m
Ezechiël 28:23z
Ezechiël 28:24z
Ezechiël 28:26z
Ezechiël 29:6z
Ezechiël 29:9m
Ezechiël 29:16z
Ezechiël 29:21z
Ezechiël 30:8a
Ezechiël 30:19z
Ezechiël 30:25m
Ezechiël 30:26z
Ezechiël 32:15z
Ezechiël 33:29a
Ezechiël 34:27m
Ezechiël 34:30a
Ezechiël 35:4z
Ezechiël 35:9z
Ezechiël 35:12a
Ezechiël 35:15z
Ezechiël 36:11z
Ezechiël 36:23m
Ezechiël 36:36a
(„gesproken”)
Ezechiël 36:38z
Ezechiël 37:6z
Ezechiël 37:13a
Ezechiël 37:14z
(„gesproken”)
Ezechiël 37:28a
Ezechiël 38:23z
Ezechiël 39:6z
Ezechiël 39:7z
Ezechiël 39:28a
Joël 2:7a
Joël 3:17a

Zo worden vroegere profeten gerechtvaardigd.

Zacharia 1:6
Mijn woorden evenwel en mijn inzettingen, die Ik mijn knechten, de profeten geboden had, hebben die uw vaderen niet achterhaald, zodat zij tot inkeer kwamen en zeiden: Zoals de Here der heerscharen Zich voorgenomen had ons te doen naar onze handel en wandel, zo heeft Hij met ons gedaan?

Profeten beroepen zich zelf ook publiekelijk op deze test, vooral tegen predikers van afval.

Numeri 16:28-29
Daarop zeide Mozes: Hieraan zult gij weten, dat de Here mij gezonden heeft om al deze daden te doen, en dat het niet mijn bedenksel is: indien dezen zullen sterven, zoals ieder mens sterft, en over hen bezoeking zal worden gedaan, zoals ieder mens bezocht wordt, dan heeft de Here mij niet gezonden.
1 Koningen 13:3
Ook kondigde hij op die dag een wonderteken aan en zeide: Dit is het wonderteken (ten bewijze), dat de Here gesproken heeft: zie, het altaar zal scheuren, zodat de as die erop ligt, uitgestort wordt.
1 Koningen 22:28, 2 Kronieken 18:27
Doch Micha zeide: Indien gij inderdaad behouden terugkomt, heeft de Here door mij niet gesproken. Voorts zeide hij: Hoort, gij volken, altemaal.
Jeremia 28:15-17
Ook zeide de profeet Jeremia tot de profeet Hananja: Hoor nu, Hananja, de Here heeft u niet gezonden, en gij hebt dit volk op een leugen doen vertrouwen; daarom, zo zegt de Here: Zie, Ik zend u weg van de aardbodem, nog dit jaar zijt gij een lijk, omdat gij afval van de Here hebt gepredikt. En de profeet Hananja stierf in dat jaar, in de zevende maand.
Zie ook
1 Samuël 10:7, 1 Koningen 17:24, Zacharia 11:11, Lukas 7:22, Johannes 4:53.

Zelfs voor zichzelf gebruiken ze deze test.

Jeremia 32:6-8
Jeremia dan zeide: Het woord des Heren kwam tot mij: Zie, Chanamel, de zoon van uw oom Sallum, komt tot u met het voorstel: Koop gij mijn akker die in Anathoth ligt, want gij hebt het recht van lossing tot de koop. En Chanamel, de zoon van mijn oom, kwam naar het woord des Heren tot mij in de gevangenhof en zeide tot mij: Koop toch mijn akker die in Anatot, in het gebied van Benjamin ligt, want gij hebt het recht van bezit en gij hebt de lossing, koop gij hem. Toen wist ik, dat dit het woord des Heren was.
Zie ook
Handelingen 10:17-20 - waar het onduidelijk is of het "wat het gezicht betekenen mocht" de vraag bevat of het gezicht een boodschap van God was of niet.

Koning Achaz wordt door God terechtgewezen omdat hij geen controleerbaar teken wil eisen van Jesaja.

Jesaja 7:10-16
En de Here ging voort tot Achaz te spreken: Vraag voor u een teken van de Here, uw God, diep in het dodenrijk of boven in den hoge. Maar Achaz zeide: Ik zal er geen vragen, en de Here niet verzoeken. Toen zeide hij: Hoort toch, gij huis van David! Is het u niet genoeg mensen te vermoeien, dat gij ook mijn God vermoeit? Daarom zal de Here zelf u een teken geven: Zie, de jonkvrouw zal zwanger worden en een zoon baren; en zij zal hem de naam Immanuel geven. Boter en honig zal hij eten, zodra hij het kwade weet te verwerpen en het goede te verkiezen. Maar voordat de jongen weet het kwade te verwerpen en het goede te verkiezen, zal het land ontvolkt zijn, voor welks beide koningen gij angstig zijt.

Zelfs als een engel de boodschap komt brengen geeft God desgevraagd nog een teken: Richteren 6:36-40, Lukas 1:18.

De strengste versie van de test vinden we bij Amos: als God handelt, en de profeet heeft het niet aangekondigd, dan heeft hij niet naar God geluisterd.

Amos 3:7-8
Voorzeker, de Here Here doet geen ding, of Hij openbaart zijn raad aan zijn knechten, de profeten. De leeuw heeft gebruld; wie zou niet vrezen? De Here Here heeft gesproken; wie zou niet profeteren?

Wie de door God gegeven tekenen niet aanvaardt zal geen enkel teken aanvaarden: Lukas 16:31.

Het volgende hoort op een eigen pagina.

Jezus als Messias had bewijstekenen nodig, namelijk werken en woorden: Lukas 24:19.

De werken: Mattheüs 11:5, Mattheüs 11:20, Mattheüs 12:22-23, Mattheüs 16:1, Mattheüs 27:42z, Johannes 2:11, Johannes 2:18, Johannes 3:2z, Johannes 4:48, Johannes 5:36, Johannes 7:31, Johannes 9:16, Johannes 9:33, Johannes 10:37-38, Johannes 11:15, Johannes 11:42, Johannes 11:45, Johannes 11:47-48, Johannes 12:11, Johannes 12:30, Johannes 12:37, Johannes 14:10-11, Johannes 20:31, Handelingen 2:22. Zie ook Numeri 14:11, Johannes 20:29, 1 Korinthiërs 2:22a.

Mensen trekken de conclusie niet: Mattheüs 9:33, Marcus 2:12.

Of verwerpen die: Johannes 6:36, Johannes 15:24

Jezus' woorden: Johannes 1:48-49, Johannes 4:29, Johannes 4:41, Johannes 6:68-69, Johannes 16:30, Johannes 17:8.

Toevoegen: bewijsteken van de opstanding (algemener: van het vervullen der Messiaanse profetieën).

Het getuigenis hiervan: Handelingen 10:37-43, Hebreeën 2:3-4.