Meta­wetenschap

In dit onderdeel wordt de wetenschap beschouwd als voorwerp van discussie.

De natuurwetenschap is één van de diepgaande manieren waarop wij de wereld kunnen bekijken. Zoals de kunst de wereld interpreteert in termen van schoonheid, en de religie haar als schepping beschouwt, ziet de wetenschap haar als mechanisme. Vragen over zin, bewustzijn, rechtvaardigheid kan de wetenschap niet beantwoorden, net zomin als de ethiek kan bepalen of iets mooi of lelijk is.

Ook een begrip als „moeite” is natuurwetenschappelijk onbruikbaar.

Deze zelfbeperking van de natuurwetenschap heet „positivisme”, en is door sommigen misverstaan als sciëntisme.

((De terminologie hier klopt niet. Dit heeft weinig met Comtes positivisme te maken.))

((Te doen.))

Wetenschaps­geschiedenis
Het Christendom heeft wetenschap mogelijk gemaakt, door zijn geloof in een God van orde, die gekend wilde worden uit Zijn schepping. Grote wetenschapsmensen als Isaac Newton, Johann Kepler, Nicolaus Copernicus en Galileo Galilei zochten Godskennis, en meenden die te vinden in hun resultaten en die van anderen. Ook wetenschappen als geschiedenis zijn door Christenen ontwikkeld.

Twee gebeurtenissen hebben het onjuiste idee dat wetenschap en godsdienst strijden doen postvatten.

Het proces van Galilei
Hier had de kerk het heersende wetenschappelijke paradigma, Aristotelianisme, aanvaard, en toen de gevestigde wetenschap Galileo aanviel heeft de kerk zich uiteindelijk in dat debat mee laten slepen. Het ging niet om kerkelijke dogmata, maar om de correctheid van de leer van Aristoteles (en indirect om de meerwaarde van het Latijn als wetenschappelijke taal, want Galileo schreef in het Italiaans). Beide partijen waren Christenen, en hebben elkaars geloof nooit aangevallen. Galileo en de paus waren in eerste instantie vrienden, maar dat eindigde toen Galileo de stem van zijn tegenstanders — en dat klonk als de stem van de Paus — in de mond van zijn boekkarakter Simplicio, de zot.
Het debat tussen „Darwin's Bulldog” Thomas Henry Huxley en Bisschop Samuel Wilberforce („Soapy Sam”)
Wilberforce had van te voren nadrukkelijk, en schriftelijk, aangegeven dat aangezien dit geen religieus debat was, hij geen godsdienstige argumenten zou gebruiken. Hij bleek verrassend overtuigend (Darwin noemde het „disconcertingly brilliant”) en overtuigde enige tot dan evolutionisten, maar het was geen godsdienst-tegen-wetenschap-debat.
Tegenwerping (Wetenschap uit Christendom triviaal):
Het feit dat wetenschap ontstaan is in de Christelijke traditie is niet vreemd. De kerk overheerste de beschaving, en slechts Christenen hadden de middelen (geld, opleiding, toegang tot informatie) die wetenschap mogelijk maakten.
Antwoord:
Dat is onjuist, want er zijn vele andere beschavingen dan de Christelijke geweest, en geen van hen heeft een serieuze wetenschap ontwikkeld.
((Een man als Newton was wel Christen, maar had hij heel andere ideeën dan de leidende kerken, en is hij zeker niet vanwege zijn geloof in zijn positie terecht gekomen. Wel is waar dat hij als hij helemaal geen Christen was geweest waarschijnlijk niet in aanmerking zou zijn gekomen.))