Absolute waarheid

Waarheids­absolutisme stelt dat de waarheid van een bewering niet afhankelijk is van zaken waar die bewering niet naar verwijst, en dat een precieze bewering die niet naar zichzelf verwijst ofwel waar, ofwel onwaar is, maar niet beide en niet geen van beide.

Logici hebben allerlei wijzen gevonden waarop beweringen naar zichzelf (of naar een kopie van zichzelf) kunnen verwijzen, en dergelijke beweringen kunnen paradoxaal zijn.

Zo zal de waarheid van een bewering niet afhangen van wat iemand gelooft, tenzij het nou juist een bewering omtrent wat die persoon gelooft betreft. Een niet-deiktische bewering die waar is voor één persoon is dat ook voor iedere andere persoon.

Zie ook het probleem voor absolute waarheid dat volgt uit het aanvaarden van het fysicalisme.

((Het onderstaande moet wellicht naar zielkunde.))

Evenmin is een absolute waarheid afhankelijk van wat iemand wil of verlangt — buiten de situatie waar de willer de causale macht heeft en uitoefent die de zaak waar maakt. Er kunnen dus zaken zijn die men graag waar, of juist onwaar, zou willen hebben, maar die dat toch niet zijn, en dat verschil tussen wens en werkelijkheid kan vervelende consequenties hebben. Betreffende de alledaagse werkelijkheid wordt men meestal snel genoeg gedwongen dat verschil te accepteren, maar juist op het gebied van dit boekje, de uiteindelijke waarheid, kan het heel verleidelijk zijn te blijven geloven in wat men wil, ook waar dat strijdt met de bekende feiten — omdat eventuele consequenties pas later komen, en dat geloof wellicht prettiger consequenties voorspiegelt dan de waarheid doet.

Heel duidelijk is dit mechanisme zichtbaar bij massamoord. Mensen blijven gehoorzaam, ook als zij het massagraf graven, en zelfs als ze in de rij staan en de mensen voor hen één voor één afgeschoten zien worden. Overlevenden verklaren later dat ze eenvoudigweg niet konden geloven dat het voor hen ook zo zou eindigen — en we mogen aannemen dat de niet-overlevenden niet anders dachten. En dat waren nog mensen die de consequenties duidelijk voor zich zagen. Onderzoek toont aan dat mensen een waarheid des te gemakkelijker negeren of ontkennen naarmate die onaangenamer is en naarmate de consequenties minder zichtbaar zijn en verder in de toekomst liggen — vandaar dat mensen roken, of dat veel jonge mensen onvoldoende voor hun pensioen sparen, ook al is de benodigde inleg voor wie vroeg begint veel kleiner dan voor wie later begint.

((Te doen.))

Waarheid is tijdloos. Het weten van waarheid is binnen deze wereld waarschijnlijk gebonden aan de lichtsnelheid: naar de toekomst door effecten; naar het verleden door oorzaken.

In Agrippa's trilemma geeft Agrippa de scepticus drie opties voor de fundering van een bewering. Één van de volgende opties moet gelden:

  1. Iedere bewering heeft een andere bewering als fundering — een oneindige regressie.
  2. Een bewering kan direct of indirect haar eigen fundering zijn — circulariteit.
  3. Er zijn beweringen die geen bewering als fundering hebben — eindigheid.

(Daarnaast erkent hij nog de ongefundeerde aanname en de erkenning van onwetendheid — de vijf vormen van onwetendheid

Bij ieder van deze opties hoort een school.

Infinitisme
Oneindige regressies als afdoende fundering aanvaarden.
Coherentisme
In plaats van van een fundament samenhang aanvaarden — maar in 2003 toonden Luc Bovens en Stephan Hartmann aan dat coherentie niet impliceert dat een stelsel van beweringen waarschijnlijk waar is (Bayesian Epistomology).
Fundamentalisme
(Het Engels onderscheidt „foundationalism” en „fundamentalism”.)
Funderingen die geen bewering zijn erkennen.
Dogmatisme
De eigen of andermans overtuiging als fundament aanvaarden.
Pyrrhoons skepticisme
Erkennen dat geen weten mogelijk is, zoals Pyrrho van Elis deed. De restrictieparadox die zin die zin vervat ligt kan met beroep op meer skepsis vermeden worden — want hoe zouden we kunnen weten dat er sprake is van een tegenspraak?