De opzieners der de gemeente

Ouderlingen

De hoogste ambtsdrager heet πρεσβυτερος (oudere) of επισκοπος (opziener, opzichter). Deze woorden zijn in het Nederlands doorgedrongen als 'priester' en 'bisschop'. Voor de veronderstelling dat 'oudste' en 'opziener' hetzelfde ambt aanduiden pleiten:

  1. de naadloze overgang van het ene naar het andere woord in Titus 1:5-7;
  2. het in veel handschriften voorkomende woord επισκοπουντες, 'opziend' in 1 Petrus 5:2, dat over oudsten gaat;
  3. het feit dat beide termen nooit in contrast voorkomen.

In de Septuagint is επισκοπος een woord voor herder - vandaar dat Rooms-Katholieke bisschoppen nog altijd de herdersstaf voeren. Oudsten worden dan ook gezien als herders, onder de opperherder God. Wellicht gaat het derhalve om het uitoefenen van de gave van het herderschap.

Handelingen 14:23
En nadat zij voor hen in elke gemeente oudsten hadden aangewezen, droegen zij hen onder bidden en vasten de Here op, in wie zij geloofd hadden.
Handelingen 20:28
Ziet dan toe op uzelf en op de gehele kudde, waarover de Heilige Geest u tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden, die Hij Zich door het bloed van zijn Eigene verworven heeft.
1 Timotheüs 3:1-7
Dit is een betrouwbaar woord: indien iemand staat naar het opzienersambt, dan begeert hij een voortreffelijke taak. Een opziener dan moet zijn onbesproken, de man van één vrouw, nuchter, bezadigd, beschaafd, gastvrij, bekwaam om te onderwijzen, niet aan de wijn verslaafd, niet opvliegend, maar vriendelijk, niet strijdlustig of geldzuchtig, een goed bestierder van zijn eigen huis, die met alle waardigheid zijn kinderen onder tucht houdt; indien echter iemand zijn eigen huis niet weet te bestieren, hoe zal hij voor de gemeente Gods zorgen? Hij mag niet een pas bekeerde zijn, opdat hij niet door opgeblazenheid in het oordeel des duivels valle. Hij moet ook gunstig bekend zijn bij de buitenstaanden, opdat hij niet in opspraak kome en in een strik des duivels valle.
1 Timotheüs 5:17-19
De oudsten, die goede leiding geven, komt dubbel eerbewijs toe, vooral hun, die zich belasten met prediking en onderricht. Immers, de Schrift zegt: Gij zult een dorsende os niet muilbanden, en: De arbeider is zijn loon waard. Gij moet geen klacht tegen een oudste aannemen, tenzij er twee of drie getuigen zijn.
Titus 1:5-9
Ik heb u op Kreta achtergelaten met de bedoeling, dat gij in orde zoudt brengen hetgeen nog verbetering behoefde, en dat gij, zoals ik u opdroeg, in alle steden als oudsten zoudt aanstellen mannen,
die onberispelijk zijn, een vrouw hebben, die gelovige kinderen hebben, die niet in opspraak zijn wegens losbandigheid of van geen tucht willen weten. Want een opziener moet onberispelijk zijn als een beheerder van het huis Gods, niet aanmatigend, niet driftig, niet aan de wijn verslaafd, niet opvliegend, niet op oneerlijke winst uit, maar gastvrij, met liefde voor wat goed is, bezadigd, rechtvaardig, vroom, ingetogen, zich houdende aan het betrouwbare woord naar de leer, zodat hij ook in staat is te vermanen op grond van de gezonde leer en de tegensprekers te weerleggen.
1 Petrus 5:1-5a
De oudsten onder u vermaan ik dan als medeoudste en getuige van het lijden van Christus, die ook een deelgenoot ben van de heerlijkheid, welke zal geopenbaard worden: hoedt de kudde Gods, die bij u is, {*} niet gedwongen, maar uit vrije beweging, naar de wil van God, niet uit schandelijke winzucht, maar uit bereidwilligheid, niet als heerschappij voerend over hetgeen u ten deel gevallen is, maar als voorbeelden der kudde. En wanneer de opperherder verschijnt, zult gij de onverwelkelijke krans der heerlijkheid verwerven.
Evenzo gij, jongeren, onderwerpt u aan de oudsten.
(In sommige handschriften staat op de plaats van de {*} επισκοπουντες: toezicht uitoefenend, van επισκοπεω.)

Net als Petrus hierboven noemt ook Johannes zichzelf oudste.

2 Johannes 1:1-3
De oudste aan de uitverkoren vrouw en haar kinderen, die ik in waarheid liefheb, en niet alleen ik maar ook allen, die de waarheid hebben leren kennen, om der waarheid wil, die in ons blijft en met ons zijn zal tot in eeuwigheid: genade, barmhartigheid en vrede zal met ons zijn van God, de Vader, en van Jezus Christus, de Zoon des Vaders, in waarheid en liefde.
3 Johannes 1:1
De oudste aan de geliefde Gajus, die ik in waarheid liefheb.

De oudsten treden soms collegiaal op.

1 Timotheüs 4:14
Veronachtzaam de gave in u niet, die u krachtens een profetenwoord geschonken is onder handoplegging van de gezamenlijke oudsten.
Jakobus 5:14
Is er iemand bij u ziek? Laat hij dan de oudsten der gemeente tot zich roepen, opdat zij over hem een gebed uitspreken en hem met olie zalven in de naam des Heren.
Handelingen 11:29-30
En de discipelen besloten, dat elk van hen naar draagkracht iets zenden zou tot ondersteuning van de broeders, die in Judea woonden; dit deden zij ook en zij zonden het aan de oudsten door de hand van Barnabas en Saulus.
Handelingen 15:2
En toen er van de zijde van Paulus en Barnabas geen gering verzet en tegenspraak tegen hen ontstond, droegen zij Paulus en Barnabas en nog enigen van hen op zich tot de apostelen en oudsten te Jeruzalem te begeven naar aanleiding van dit geschil.
Handelingen 15:4
En te Jeruzalem aangekomen, werden zij door de gemeente, de apostelen en de oudsten ontvangen en vermeldden al wat God met hen gedaan had.
Handelingen 15:6
En de apostelen en de oudsten vergaderden om deze aangelegenheid te overwegen.
Handelingen 15:22-23
Toen besloten de apostelen en de oudsten met de gehele gemeente mannen uit hun midden te kiezen en met Paulus en Barnabas naar Antiochie te zenden: Judas, genaamd Barsabbas, en Silas, mannen van aanzien onder de broeders. En men schreef door hun bemiddeling: De apostelen en oudsten groeten als broeders de broeders uit de heidenen in Antiochie, Syrie en Cilicie.
Handelingen 16:4
En toen zij de steden langs reisden, gaven zij hun de beslissingen, die door de apostelen en de oudsten te Jeruzalem genomen waren, om die te onderhouden.
Handelingen 20:17
Maar hij zond iemand van Milete naar Efeze en ontbood de oudsten der gemeente;
Handelingen 21:18
En de volgende dag ging Paulus met ons Jakobus bezoeken, en alle oudsten waren daarbij aanwezig.

Dan zijn er nog de oudsten der Joden in Handelingen, en de vierentwintig oudsten uit Openbaring. Met andere vertaling: 1 Timotheüs 5:1-2; Hebreeën 11:2.

Επισκοπος wordt in 1 Petrus 2:25 vertaald met 'hoeder';

Wat de ouden betreft is er een taak voor mannen èn vrouwen, namelijk de jongeren van hetzelfde geslacht onderrichten, opwekken en vermanen. (Om de structuur van deze passage te begrijpen dient men zich te realiseren dat Titus zelf tot de oude mannen behoort, en dus in hun plaats in de gebiedende wijs wordt aangesproken.)

Titus 2:2-8
Oude mannen moeten nuchter zijn, waardig, bezadigd, gezond in het geloof, de liefde en de volharding. Oude vrouwen eveneens, priesterlijk in haar optreden, niet kwaadsprekend, niet verslaafd aan veel wijn, in het goede onderrichtende, zodat zij de jonge vrouwen opwekken man en kinderen lief te hebben, bezadigd, kuis, huishoudelijk, goed en aan haar man onderdanig te zijn, opdat het woord Gods niet gelasterd worde. Vermaan evenzo de jonge mannen bezadigd te zijn in alles, houd (hun) in uzelf een voorbeeld voor van goede werken, zuiverheid in de leer, waardigheid, een gezonde prediking, waarop niets valt aan te merken, opdat de tegenstander tot zijn beschaming niets ongunstigs van ons hebbe te zeggen.

Επισκοπος.

Van επισκεπτομαι

Mattheüs 25:36
Mattheüs 25:43
Lukas 1:68
Lukas 1:78
Lukas 7:16
Handelingen 6:3
Handelingen 7:23
Handelingen 15:14
Handelingen 15:36
Hebreeën 2:6
Jakobus 1:27

en leidend tot επισκοπη

Lukas 19:44
Handelingen 1:20
1 Timotheüs 3:1
1 Petrus 2:12

en επισκοπεω.

Hebreeën 12:15
Ziet daarbij toe, dat niemand verachtere van de genade Gods, dat er geen bittere wortel opschiete en verwarring stichte, en daardoor zeer velen zouden besmet worden.
1 Petrus 5:2
hoedt de kudde Gods, die bij u is, {*} niet gedwongen, maar uit vrije beweging, naar de wil van God, niet uit schandelijke winzucht, maar uit bereidwilligheid,

en αλλοτριεπισκοπος, opzichter over andermans zaken, vandaar bemoeial: 1 Petrus 4:15. Het gaat hier om een legale term, een beschuldiging die vaak tegen de Christenen is ingebracht, namelijk dat zij heidenen zouden dwingen zich volgens de Christelijke mores te gedragen. ((Onderwerp „zich niet met anderen bemoeien” uitwerken: 1 Thessalonicenzen 4:11, 2 Thessalonicenzen 3:11-12, 1 Timotheüs 2:2z, 1 Timotheüs 5:13.))