De wetenschappelijke soortnamen

Vaak wordt een soortnaam het beste vertaald door een woord dat op een verbindingsstreepje eindigt. Zulke woorden zijn bedoeld als voorvoegsels. Zo kan „Actaea spicata” vertaald worden als ‚aar-gifbes’. Natuurlijk hoeft de letterlijke vertaling van de wetenschappelijke soortnaam niet overeen te komen met de Nederlandse soortnaam (in dit geval ‚Christoffelkruid’).

Accent

Bij de bepaling van het accent van Latijnse woorden zijn drie kenmerken van belang.
Woordlengte
Bij woorden van één of twee lettergrepen valt het accent op de eerste lettergreep. Bij langere woorden hangt het accent af van de lengte van de op één na laatste lettergreep:
als deze lang is
valt het accent op de op één na laatste lettergreep;
als deze kort is
valt het accent op de op twee na laatste lettergreep.
Lettergreeplengte
Een lettergreep met een tweeklank
Lang.
Een dubbelgesloten lettergreep
Hier wordt de klinker gevolgd wordt door minstens twee medeklinkers.
Lang (muta cum liquida is soms een uitzondering).
Een open lettergreep met een eenklank
Kort.
Een enkelgesloten lettergreep zonder tweeklank
Lang of kort. Twee hulpmiddelen:
  1. Zie de uitgangen hieronder.
  2. Als de lettergreep in bijvoorbeeld het Frans is weggevallen was zij hoogstwaarschijnlijk kort: „Karolus” → „Charles”
Klankgetal
Een klinker die met twee tekens geschreven wordt is een tweeklank: ae au oe ui eu. Een met één teken geschreven klinker is normaliter een éénklank. Pas op: een losse „e” of „i” stelt soms een Griekse tweeklank voor: „Αχιλλεια” → „Achillea”. Een enkele keer wordt zelfs een Griekse lange éénklank als Latijnse tweeklank geteld: „πετρσελινον” → „petroselinum”. Dit is zonder kennis van de ontleningsgeschiedenis niet te voorspellen.

Enige uitgangen

—alis, -e
-aal, behorende bij
—atus, -a, -um
be-...-d, ge-...-d, voorzien van
—ellus, -a, -um
-tje, klein
—ens
-end, die ...-t
—eus, -a, -um
-ig, -achtig
—icus, -a, -um
-isch, — (maakt van het woord een voorvoegsel)
—inus, -a, -um
-ijns, — (maakt van het woord een voorvoegsel)
—ior, -us
-er, meer
—ssimus, -a, -um
-st, meest
—olus, -a, -um
-tje, klein
—or
-er, -aar
—orum, -arum
der, van de
—osus, -a, -um
rijk aan; voorzien van
—ulus, -a, -um
-tje, klein

Vertalingen

abrotanum
citroenkruid (< Grieks „abrotonon”, < „abros”, ‚bloeiend, zacht, weelderig’)
absinthium
alsem (< Grieks „apsinthion”, vermoedelijk een voor-Grieks woord)
acer, -ris, -re
scherp
afer, -ra, rum
Afrikaans
albus, -a, -um
wit
alkekengi
bes (< Arabisch)
alpinus, -a, -um
Alpen-
angustifolius, -a, -um
smalbladig (Latijn < „angustus”, ‚smal’, en „folium”, ‚blad’)
anisum
anijs (Latijn < Grieks „anison” < „anèson” < „anèthon”, ‚anijs’ — Mt 23:23)
annuus, -a, -um
jaar-, éénjarig
anomalus, -a, -um
ongelijk (< Grieks „anòmalos”)
anserinus, -a, -um
ganzen-
aparine
kleefkruid (Grieks „aparinè” < „apairò”, ‚opnemen en meedragen’)
aquaticus, -a, -um
water-
aquifolius, -a, um
naaldbladig (misspelling van Latijn „acuifolius”, < „acus”, ‚naald’, en „folium”, ‚blad’)
archangelicus, -a, -um
aartsengel- (< Grieks „archaggelos”, ‚hoofdboodschapper’, ‚aartsengel’)
arvensis, -e
akker- (Latijn, < „arvum”, ‚akker’)
aucuparius, -a, -um
vogelvangst- (Latijn < „aucupium”, ‚vogelvangst’ < „auceps”, ‚vogelvanger’ < „avis”, ‚vogel’, en „capere”, ‚vatten’, ‚grijpen’)
autumnalis, -e
herfst-
balsamita
balsem- (? Bijvoeglijk naamwoord bij Grieks balsamos?)
basilicus, -a, um
konings-, koninklijk (< Grieks „basilikos”, ‚koninklijk’, < „basileus”, ‚koning’)
belladonna
schone vrouw (Italiaans, zie wolfskers)
bistortus, -a, -um
tweemaal gekromd
bursa-pastoris
tas eens herders (Latijn „bursa” verwant met ons ‚beurs’; en „pastor”, ‚herder’)
calamus
riethalm
candidus, -a, -um
(mooi, glanzend) wit
caninus, -a, -um
hond- (Latijn < „canis”, ‚hond’)
cannabinus, -a, -um
hennep-, hennepachtig (Leverkruid, vanwege de bladvorm)
cardiacus, -a, um
hart- (Grieks „kardia”, ‚hart’.)
carvi
karwij (Middellatijn < Arabisch: zie karwij).
catarius, -a, -um
katten-
cavus, -a, -um
uitgehold, hol
centifolius, -a, -um
honderdbladig (Latijn „centum”, ‚honderd’, en „folium”, ‚blad’)
cepa
ui (Latijn „caepa” of „cepa”)
cerefolium
kervel (zie kervel)
chamaedrys
grondeik (Grieks < „chamai”, ‚op de grond’, en „drus”, ‚eik’)
cicutarium
als een scheerling (Latijn < „cicuta”, ‚(water)scheerling’, ‚dolle kervel’)
clavatus, -a, um
knotsvormig (Latijn < „clava”, ‚knoestige stok’, ‚knuppel, ‚knots’)
communis, -e
algemeen
crispatus, -a, -um
gekroesd (Latijn < „crispare”, ‚slingeren’, ‚golven’ < „crispus”, ‚kroes-’)
crispus, -a, -um
kroes-
damascenus, -a, -um
van, uit Damascus
didymus, -a, -um
tweeling, dubbel (Grieks „διδυμος”, waarschijnlijk met reduplicatie < „δυω”, ‚twee’)
dulcamarus, -a, -um
zoet-bitter (< Latijn „dulcis”, ‚zoet’, en „amarus”, ‚bitter’
dulcis, -e
zoet, liefelijk
elatior, -us
verhevener (Latijn < „elatus”, ‚verheven’ < „efferre”, ‚verheffen’)
erectus, -a, -um
opgericht (Latijn < „erigere”, ‚oprichten’)
erythraeus, -a, -um
bloederig, bloedrood (< Grieks „eruthros” < „ereuthoo”, ‚rood worden’, verwant met het Nederlandse ‚rood’)
eupatorius, -a, -um
lever- (van Grieks „hèpar”, ‚lever’.) Zie naamsverwarring, leverkruiden.
europaeus, -a, -um
Europees
foenum-graecum
Grieks hooi (Latijn „foenum”, ‚hooi’, en „Graecus”, ‚Grieks’.)
foetidus, -a, -um
stinkend
fullonum
der vollers, vollers- (Latijn < „fullo”, ‚voller’
gallicus, -a, -um
Frans
germanicus, -a, -um
Duits
githago
komijn (van „gith”, Vulgaat, Jesaja 28:25, 27 is het enige voorkomen dat ik kon vinden, hoewel Plinius het woord ook gebruikt schijnt te hebben.)
glutinosus, -a, um
kleverig, plakkend (Latijn < „gluten”, ‚lijm’)
graveolens
zwaar riekend (Latijn < „gravis”, ‚zwaar’, en „olere”, ‚geuren’, ‚rieken’)
hederaceus, -a, -um
klimopachtig (zie hedera)
helenium
alant (< Grieks „helenion”)
helix
gedraaid, spiraalvormig, gekruld (Grieks, ook de naam van een soort klimop < „helissoo”, ‚doen draaien, oprollen, kringelen’)
hippocastanus, -a, -um
paardekastanje (< Grieks „hippos”, ‚paard’, en „kastanon”, ‚kastanje’)
hortensis, -e
tuin- (Latijn < „hortus”, ‚tuin’)
idaeus
van de Ida (een berg; er was een Ida in Frygië en een op Kreta)
inflatus, -a, -um
opgeblazen, gezwollen (Latijn < „inflare”, ‚inblazen’, ‚zwellen’).
lanatus, -a, -um
woldragend, wollig (Latijn < „lana”, ‚wol’)
lanceolatus, -a, -um
‚be-lancet’; voorzien van lancetten (Latijn < „lanceola”, ‚lancet’ < „lancea”, ‚Spaanse lans’)
lappa
kliskruid (Latijn < „latus”, ‚breed’, en „folium”, ‚blad’)
latifolius, -a, -um
breedbladig (Latijn < „latus”, ‚breed’, en „folium”, ‚blad’)
longifolius, -a, um
langbladig (Latijn < „longus”, ‚lang’, en „folium”, ‚blad’)
luteus, -a, -um
geel
lycopersicus, -a, -um
Perzische wolf (< Grieks „lukopersicos” < „lukos”, ‚wolf’, en „persikos”, ‚Perzisch’)
maculatus, -a, -um
bevlekt, gevlekt (Latijn < „macula”, ‚(lelijke) vlek’)
major, -us
groter
majorana
marjolein (< Arabisch „marjami”)
matronalis, -e
rijkevrouws- (Latijn < „matrona”, ‚voorname, deftige vrouw’)
medius, -a, -um
middelste
melo
appel (< Grieks „mèlon”)
millefolius, -a, -um
duizendbladig (Latijn < „mille”, ‚duizend’, en „folium”, ‚blad’)
minor, -us
kleiner
napellus
raapje (Latijn < „napus”, ‚raap’, dat ik overigens niet heb gevonden)
nasturtium-aquaticum
water-sterrekers (Latijn < „aquaticus”, ‚water-”, < „aqua” ‚water’, en „nasturcium”, ‚sterrekers’ < „naso”, ‚neus’, en „torquere”, ‚draaien’, naar de bitterheid — vergelijk het Nederlands ‚wrang’, van ‚wringen’)
neglectus, -a, -um
vergeten, genegeerd
niger, -gra, -grum
(mooi, glanzend) zwart
occidentalis, -e
westelijk (Latijn < „occidens”, ‚westen’ < „occidere”, ‚ondergaan’, namelijk van de zon)
odoratus, -a, -um
officinalis, -e
apothekers-
pendula
pepo
petiolata
petraea
piperita
ptarmicus, -a, -um
nieswekkend (Latijn < Grieks „ptarnumai”, ‚niezen’)
pulegium
purpurea
racemosus, -a, -um
van een tros, of trossen, voorzien
radens
reptans
kruipend (Latijn < „reptare”, intensivum < „repere”, ‚kruipen’)
rhoeas
robertianum
robur
rosea
rotundifolia
rustica
rusticana
sativus, -a, -um
zaai-, poot- (of voedend?)
saxifraga
sclarea
scordium
knoflook- (Latijn < Grieks „skorodon”, ‚knoflook’)
scorodonius, -a, -um
knoflook- (< Grieks „skorodon”, ‚knoflook’)
segetus, -a, -um
bij het gezaaide behorend. Meestal: tussen het graan groeiend.
serpyllum
wilde tijm, kwendel. (< Grieks „herpullon”, ‚tijm’ < „herpoo”, ‚kruipen, woekeren’. Vergelijk „herpes”, ‚woekerende wond’.)
solidus, -a, -um
somniferus, -a, -um
spicatus, -a, -um
be-aar-d, aren dragend (Latijn < „spica”, ‚aar’)
staphisagria
Mij onbekend. Mogelijk ‚wilde druif’?
stramonium
strictus, -a, -um
sylvaticus, -a, -um
sylvestris, -e
tabacum
telephium
tetralix
een distelsoort (Grieks < „tetrahelix”, ‚met vier strengelingen’ — vanwege de kransen van vier bladen?)
tinctorius, -a, -um
ververs- (Latijn „tinctor”, ‚verver’ < „tingere”, ‚onderdompelen’)
trifoliatus, -a, -um
ulmarius, -a, -um
urbanus, -a, -um
stads- (Latijn < „urbs”, ‚stad’)
ursinus, -a, -um
beren- (Latijn < „ursa”, ‚beer’), mogelijk ook dassen-
uva-ursi
berendruif (Latijn „uva”, ‚druif’, en „ursus”, ‚beer’)
vernalis, -e
lente-
vescus, -a, -um
uitgemergeld, mager, dun (Latijn < „vescari”, ‚nuttigen’, ‚verteren’)
virgaura
guldenroede (samentrekking < Latijn „virga”, ‚groene twijg’, ‚roede’, en „aurea”, ‚gouden’)
vulgaris, -e
gewoon