Bescheiden zelf­verheffing

Discriminatie, in de negatieve zin, is een groot kwaad — geen democraat zal dat weerspreken, om de klare reden dat het wezen van democratie nu juist de rechtsgelijkheid van mensen betreft: wie die rechtsgelijkheid niet serieus neemt is geen democraat. Maar verstand en onderbuik willen nog wel eens van mening verschillen, en dat kan grappige (en soms helaas minder grappige) effecten hebben.

We erkennen dat zwakkeren in bescherming moeten worden genomen: „Punch up, not down”
‥maar dan beslist onze onderbuik dat sommige volkeren „down” zijn — een Belgen­mop kan, maar een mop over Turken niet. (Oh, sorry — Belgen noemen we natuurlijk gewoon Belgen, maar Turken heten „Turkse mensen—, want hoewel Turks vinden we hen toch mensen, heus waar!) Niemand maakt ooit bezwaar vanwege die arme Limburgers als we Limburg „Limbabwe” noemen, maar tegenwoordig wel vanwege die arme Zimbabwanenanse mensen. Hier wandelen twee Zweden, maar lopen twee Joodse mensen; Hier wonen Polen, maar verblijven Surinaamse mensen; hier praten hoogbegaafden met dove mensen¹ — je kunt precies horen wanneer de onderbuik bepaalde groepen toch net wat minder mens vindt, en het verstand dat snel poogt te herstellen.
Zwart en wit
„Zwart” en „wit” hebben een inherente betekenis — met alle licht versus zonder enig licht — en daarmee een inherent waardeoordeel. Onze onderbuik voelt dat, en gebruit dus graag die woorden om ongemerkt een standsverschil mee aan te geven. De ander „zwart” noemen (zelfs scholen met Turken en Marokkanen worden „zwarte scholen” genoemd is zelfverheffend en de ander — letterlijk — denigrerend. Mijn huid is (bijna) blank, zoals een oningevuld formulier blanco is: zonder het pigment dat er had kunnen zijn, maar zelfs niet bij benadering wit.
In Bénin hadden we een rode kater (a „ginger Tom”, zoals de Engelsen precieser zeggen), met de naam Simpie, want „C'est ma peau”, zoals de lokalen niet moe werden ons te vertellen — de vacht van het beestje had precies dezelfde kleur als onze huid. Laten we pas als we die rode kater wit noemen onszelf ook wit noemen. Laten we „witte” weer louter als term van eerbied voor ouden van dagen met die haar­kleur gebruiken, en niet om onszelf als zuiver te poneren, en „zwarte” evenzo slechts voor zwart­harigen.
Als we „blank” te Westers vinden kunnen we altijd nog voor het door een indogeen volk verzonnen „bleek­gezicht” kiezen.
Nog erger is „black­face”, dat met een technisch correcte term een heel ontoepasselijke connotatie binnenhaalt — zoals „Führer” dat doet indien toegepast op bijvoorbeeld onze eerste minister. Dat laatste is dan ook terecht verboden als smaad.
„Zwart” is ook een restcategorie: iemand met een blanke en een bruine ouder, of drie blanke en één bruine grootouder, of zelfs zeven blanke en één bruine overgrootouder wordt onverbiddelijk als „zwart” weggezet, want niet raszuiver. Dan waren de Boeren in Zuid-­Afrika nog eerlijker, die een aparte klasse „kleurlingen” kenden — twee klassen van zuiver ras, en een klasse van gemengden.
Scheld­woorden
De onderbuik neemt de leiding als we emotioneel worden: we mogen nog zo vrouwvriendelijk zijn, iets slechts noemen we „kut”, nooit „lul”. We hebben soms last van lulmarokkanen (de kutmarokkanen halen intussen hoge cijfers aan de universiteit), maar zullen dat nooit zo benoemen.

Kom op, mensen — laten we onze onderbuik opvoeden, spreken van „zwart” versus „wit”, „kut” als denigrerend woord of voorvoegsel, en vooral dat neerbuigende „mensen” weglaten. Laten we aannemen dat we Turken, Joden, en andere groepen al bij voorbaat mens vinden, zonder dat we dat hoeven te zeggen. Misschien steekt onze onderbuik daar nog wat van op.

 

¹ Let op: dit gaat het commentaar opleveren dat ook doven hoogbegaafd kunnen zijn — de overactieve discriminatieherkenner in actie.