Recht

Macht maakt geen recht; opgelegde wetten, ook door een democratisch besluit ingevoerde wetten, zijn niet vanzelf rechtvaardig.

Rechtvaardigheid onderscheidt zich van macht door de vrijwillige onderwerping van hen wie dat recht geldt. Als doordat die regelmacht hoog in de hiërarchie is te vinden overal dezelfde regels gelden, is er geen sprake van vrijwillige onderwerping, maar in tegendeel van dwang: er is immers geen keuzevrijheid. Een wereldregering kan daarom nooit rechtvaardig zijn.

Het rechtstekort is per definitie gelijk aan de kosten van onttrekking aan die rechtsmacht. De kosten van het opzeggen van een lidmaatschap zijn in het algemeen laag, dus aan leden opgelegde regels zijn — voor zover die leden de gevolgen dragen — rechtvaardig. De kosten van verhuizing naar een ander continent zijn hoog, dus continentwijde regels zijn onrechtvaardig.

Rechtvaardigheid is dus een volslagen ander begrip dan moraliteit, ethische juistheid. Moraliteit is geen politiek begrip (hoewel het in de politieke praktijk wel een belangrijke rol dient te spelen, naast bij voorbeeld economie).

Strafwaardigheid
Een handeling is strafwaardig als zij wettelijk als zodanig is aangemerkt, en de handelende persoon dit kon weten. Jurisprudentie die tot nieuwe inzichten leidt kan dus niet tot strafvervolging leiden — bestraffing is pas mogelijk als de rechter oordeelt dat voorheen al duidelijk was dat de handeling (A) met een bepaalde waarschijnlijkheid en mate schadelijk was voor een ander, en (B) met een minimale (van de mate van schadelijkheid afhangende) waarschijnlijkheid onder die bepalingen valt. Die waarschijnlijkheid bij (B) mag kleiner dan 1/2 zijn als de handeling zeer schadelijk is, en bij voldoende schadelijkheid zelfs 0 zijn: zeer schadelijk handelen is op zich verboden. Als de waarschijnlijkheid (B) hoog genoeg is hoeft er geen schadelijkheid te zijn: verboden handelingen zijn strafwaardig.
De strafwaardigheid is een stijgende functie in de geweten schadelijkheid waarschijnlijkheid (A) enerzijds, en waarschijnlijkheid (B) anderzijds.
Een aanklacht is slechts geldig als die (eventueel impliciet) een wèl-toegestaan alternatief bevat. Als alles verboden is is de minst kwalijke van die opties niet strafwaardig. Wie door het rode licht rijdt om een dodelijk slachtoffer naar het ziekenhuis te brengen is niet strafwaardig omdat hem geen betere optie open stond. Dat alternatief kan zelf juridisch aangevochten worden: een bekeuring door een agent die aangeeft dat de dader het slachtoffer had kunnen laten doodbloeden zal verworpen worden, evenals de veroordeling van een dakloze die buiten geslapen heeft waarbij de rechter „wakker blijven” als alternatief gaf. Het bieden van onredelijke alternatieven kan zelf strafwaardig zijn — het alternatief was geweest: niet veroordelen.
Verleiding
Als de totale kosten van het verminderen of wegnemen van een verleiding minder zijn dan de totale kosten van het straffen zal de overheid die verleiding verminderen of wegnemen.
„Totale kosten” is een ruim begrip. Een voedsel­bank kan goedkoper zijn dan de kosten van politie, gerechtelijk proces, en strafuitvoering, maar ook het effect van gratis voedsel op de gemeenschap moet worden meegewogen. Stel dat dat tot luiheid en gekozen werkloosheid zou leiden, dan zijn dat ook mee te tellen kosten. Soms is een praktijktest nodig: voer een basis­loon in voor beperkte tijd (maar lang genoeg om tot een evenwicht te komen), of in een beperkt gebied, of voor een bepaalde doelgroep, om de effecten waar te kunnen nemen.
Commensurabiliteit kan een probleem zijn: hoe wordt een eventuele morele verzwakking afgewogen tegen monetaire voordelen? En zal de generatie die die morele verzwakking ondergaat die verzwakking nog steeds als zodanig waarderen? Democratie strijdt met absolute morele waarden: als de volksmening verandert verandert wat de democratische regering als moreel juist ziet. We zijn talloze hellende vlakken afgerold, alleen om de onder die nieuwe situatie opgroeienden het gehele vlak te zien ontkennen.
Automatische straf­vervolging
Allerlei acties leiden automatisch tot strafvervolging, waarbij gekeken wordt of de vervolging rechtmatig is. Iedere gewelddaad valt hieronder, en iedere daad van een overheidsfunctionaris die gewelddadig had kunnen zijn (zoals een schot met een vuurwapen). Deze strafvervolging betekent niet dat schuld vermoed wordt, maar dient in de meeste gevallen om iedere verdenking van schuld te weerleggen.
Onder oorlogs­recht mag een opdracht uitgevoerd worden als de authoriteit ervan hoger is dan de kwaadaardigheid. Een soldaat mag niet zomaar de opdracht een burger, of een eigen medesoldaat, neer te schieten uitvoeren, maar als de opdracht met voldoend hoge authoriteit gegeven wordt mag (en moet) dat wel. De bevelgever dient die authoriteit dan te kunnen onderbouwen.
Iedere regerings­handeling leidt ook automatisch tot strafvervolging, waarbij gekeken wordt of ze rechtmatig was. In normale situaties zullen bijna al die vevolgingen pro forma zijn, omdat naar een onderliggende regeling verwezen kan worden die de handeling rechtvaardigt. Bij vragen van voldoend gewicht (een minimum aantal burgers, of een persoon met relevante ervaring en/of positie) wordt de vervolging voortgezet of heropend.
Een regerings­functionaris kan een beroep doen op een nood­toestand. Als hij dit van te voren doet is goedkeuring door een gewone meerderheid van de kamer op zijn niveau nodig; bij een beroep achteraf is een 2/3 meerderheid nodig. (Dat speelt bijvoorbeeld als snel op een aanval moet worden gereageerd, en er geen tijd voor een raadpleging en stemming is.) Als die noodtoestand eindigt verliest die functionaris permanent alle immuniteit voor wat vóór of tijdens die noodtoestand gebeurd is, waaronder het uitroepen van die toestand zelf.
Gerechtsgang
In principe heeft een beklaagde, en dus ook een veroordeelde, recht op openbaarmaking van de bewijs­stukken en proces­gang, zodat anderen kunnen nagaan of en in hoeverre het rechts­oordeel rechtvaardig is. Bij de in het gelijk gestelde bij privaat­recht, of de openbaar aanklager bij publiek­recht, heeft dit recht ook, zodat geruchten over een onterecht vrijspreken of een onterechte veroordeling kunnen worden weerlegd. In de praktijk kunnen andere redenen (het recht op privacy van de andere partij of van derden, publieke veiligheid, ‥) tot geheimhouding dwingen.