De vraagstelling

Dat levende wezens verwantschap tonen naar aard en mate van ontwikkeling is duidelijk. Dit blijkt onder meer op de volgende punten.

Systematiek
Groepen verwante wezens vallen uiteen in deelgroepen met sterkere verwantschap. Families bestaan uit geslachten, en geslachten uit soorten, en andersom horen families bijeen in orden, en zo voort.
Organografie
Bij deze groepen behoort een bouwplan, dat preciezer wordt naarmate men afdaalt, maar tot op het meest algemene niveau herkenbaar is. In het bijzonder vindt men in één wezen soms wat nodeloze complexiteit lijkt, maar wat in een ander wezen efficiënt is.
Fossielenkunde
Voor enige soort kunnen we verschillende uitgaande lijnen vinden, maar altijd maar één inkomende lijn. Voor een soort Y kunnen transities van Y naar allerlei Zᵢ gevonden worden, maar er wordt hooguit één X gevonden die naar Y transieert. (Probleem bij deze „vaststelling” is dat fossielen geen transitierichting kennen: men kan niet zien of iets een tussenvorm van A naar B of een tussenvorm van B naar A is. Wel geldt dat bepaalde tussenvormen (vis-dolfijn) voorspelbaar niet gevonden worden.)
Ontwikkelingshistorie
Ook in de voortplanting is dit principe herkenbaar: voortplantingsmethoden lijken meer op elkaar naarmate de wezens systematisch dichter bijeenhoren, maar eenzelfde principe (bijvoorbeeld generatiewisseling) is tot op het meest algemene niveau herkenbaar.
Embryologie
Die overeenkomsten zijn meestal veel groter tussen de embryo's dan tussen de volwassen exemplaren.
Histologie
Ook zijn die overeenkomsten meestal veel groter op weefsel- dan op macroniveau.
Cytologie
Op celniveau zijn de overeenkomsten nog groter.
Fysiologie
De fysiologie, en de collectie stofwisselingsproducten, is tot op zeer algemeen niveau gelijk.

De vraag is nu: wat is de verklaring voor deze verwantschap. Is deze het gevolg van een voortkomen uit elkaar, de neerslag van een extern ontwerp, of een combinatie van beide. En in zoverre er spraken is van voortkomen uit elkaar, is dit wat de hoofdgroepen van het leven betreft dan een geleidelijk proces dat miljoenen of miljarden jaren besloeg, of zouden dezen in een zeer korte tijd, in een „explosie”, ontstaan kunnen zijn — en zich dan vervolgens ieder hebben kunnen differentiëren tot de ons bekende rijkdom aan soorten.

((Toevoegen: fossielen. Pas in 2002 ontdekte David Froelich dat het meer dan een eeuw lang gepresenteerde mooie rijtje steeds groter wordende paardachtigen niet klopte met de gegevens. Hij had geen nieuwe gegevens, maar was de eerste die zich niet door dat paradigma liet leiden bij zijn interpretatie. Veel andere klassieke voorbeelden zijn zo gesneuveld, en we kunnen verwachten dat er nog veel meer zullen volgen. Een ander probleem is de circulaire datering: aardlagen aan de hand van de fossielen, en fossielen aan de hand van de aardlagen.))