Het leven

De andere grote evolutievraag betreft het leven.

((Nog te doen.))

Enige problemen.

De codering
Het DNA is ontdekt en daarmee weten we hoe voor eiwitten gecodeerd wordt. Dat er voor sommige hogere structuren gecodeerd wordt is duidelijk (genverschillen corresponderen met verschillen in lichaamsbouw), maar hoe vaak nog niet. Hoe zaken als bijvoorbeeld de universele grammatica zelfs maar gecodeerd zouden kunnen worden is volstrekt onduidelijk.
Informatiearmoede
Ook is het geringe aantal van de genen (minder dan 25.000 bij de mens) bij de enorme complexiteit van het betreffende wezen een vraagstuk. Er zijn duizenden verschillende soorten menselijke lichaamscellen, honderden genen per proces betrokken bij de meeste lichaamsprocessen (bloedstolling, immuniteitsmechanismen, zien, horen, voelen, het lichaamsplan, en zo voort), enorme aantallen lichaamsprocessen, en miljoenen eiwitten. Zelfs inclusief het zogeheten „niet-coderend” deel van het DNA hebben we nog geen gigabyte (ruwweg één DVD'tje van de oudste soort) aan informatie in ons lijf. Nu is onze hoop gevestigd op het proteoom.
Ontstaan van de code
Evolutie van de code
Mede gezien het feit dat nagenoeg ieder gen voor meer dan één eiwit codeert, en vrijwel ieder eiwit verschillende functies heeft is het naïeve evolutiemodel onhoudbaar. Onder die omstandigheden werken ook genetische algoritmen niet meer. Ook onherleidbaar complexe systemen zijn niet door genetische algoritmen te bouwen.
De fragiliteit van hypothesen
Bijna elke paleologische vondst leidt tot herziening van de stamboom. In 2010 alleen al: viervoetige landdieren eerder dan Tiktaala; de Georgië-mens, de vroege (grote) Flores-mens, de Denisova-mens, de Lybische primaten (Nature, 28 oktober), Simosuchus. Maar op die inmiddels verworpen stamboomversies is wel de evolutiehypothese gebaseerd.
Ook andere hypothesen zijn fragiel. In 2010: de dampkring zou al al 1,2 miljard in plaats van slechts 800 miljoen jaar geleden voldoende zuurstof voor dieren en andere meercelligen hebben gehad. (De oudste fossielen zijn die van sponzen, gedateerd als 650 miljoen jaar oud.)

Pericentromeer satelliet-DNA, dat ooit werd beschouwd als Junk DNA, blijkt levensnoodzakelijk: het is het aangrijpingspunt voor een eiwit, D1 of HMGA1, dat cromosomaal materiaal bij celdeling binnen de kern bijeen houdt in een zogeheten chromocentrum.