De evolutiegedachte

De twee belangrijkste argumenten voor macroevolutie zijn de volgende.

Geografische spreiding van wezens
Buideldieren komen vooral in Australië voor, hetgeen te verklaren zou zijn door een oerbuideldier dat daar ontstond en doorevolueerde naar al die andere vormen.
De spreiding van fossielen
Fossielvondsten lijken aan te geven dat er een tijd was dat bepaalde wezens niet bestonden, terwijl andere die nu uitgestorven zijn toen wel bestonden.

Verder heeft de idee van evolutie een intuïtieve aantrekkelijkheid, doordat iedereen zich tussen twee wezens een serie tussenvormen kan voorstellen. De evolutiegedachte is dan ook al heel oud.

Anaximander
6e eeuw voor Christus. Hij meende dat de mensen uiteindelijk van vissen afstamden.
Εν ισχυσιν εγγενεσθαι το πρωτον ανθρωπους αποφαινεται Αναξιμανδρος και τραφεντας ὡσπερ ὁι γαλεοι, και γενομενους ἱκανους ἑαυτοις βοηθειν εκβηναι και γης λαβεσθαι.
— Plutarchus
Aristoteles
Nadat hij in zijn ‚Physicæ Auscultationes’ (lib. 2, cap. 8, s. 2) opgemerkt heeft dat de regen net zo min valt om het graan te doen groeien als om het te bederven bij het dorsen in de open lucht past hij het zelfde argument toe op organisatie, en stelt daarbij het volgende.
„So what hinders the different parts [of the body] from having this merely accidental relation in nature? As the teeth, for example, grow by necessity, the front ones sharp, adapted for dividing, and the grinders flat, and serviceable for masticating the food, since they were not made for the sake of this, but it was the result of accident. And in like manner as to the other parts in which there appears to exist an adaptation to an end. Wheresoever, therefore, all things together (that is, all the parts of one whole) happened like as if they were made for the sake of something, these were preserved, having been appropriately constituted by an internal spontaneity; and whatsoever things were not thus constituted, perished, and still perish.”
Plotinos