De Godheid van Jezus

Dat Jezus God is blijkt uit honderden verzen, hier en op subpaginae. (Zie ook de woordstudie Heiland, en enige populaire tegenargumenten.)

Psalmen 45:7
Gij hebt gerechtigheid lief en haat goddeloosheid; daarom heeft, o God, uw God u gezalfd met vreugdeolie boven uw metgezellen;
Jesaja 9:6
Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op zijn schouder en men noemt hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst.
Johannes 1:1
In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God.
Johannes 5:18
Hierom dan trachtten de Joden des te meer Hem te doden, omdat Hij niet alleen de sabbat schond, maar ook God zijn eigen Vader noemde en Zich dus met God gelijkstelde.
Romeinen 9:5
hunner zijn de vaderen en uit hen is, wat het vlees betreft, de Christus, die is boven alles, God, te prijzen tot in eeuwigheid! Amen.
1 Johannes 5:20z
en wij zijn in de Waarachtige, in zijn Zoon Jezus Christus. Dit is de waarachtige God en het eeuwige leven.
(Het Grieks heeft: „Deze is de waarachtige..”.)

Jezus en God worden vereenzelvigend genoemd. (Middels Sharps regel.)

Efeziërs 5:5z
het Koninkrijk van Christus en God.
2 Thessalonicenzen 1:12
1 Timotheüs 5:21a
2 Timotheüs 4:1a

Jezus is almachtig

Mattheüs 28:18
En Jezus trad naderbij en sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde.

Jezus is één met de Vader. God is in Christus.

2 Korinthiërs 5:19a
welke immers hierin bestaat, dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was,

((Te doen:

))

Wiens beeld zijn wij, als het goed is? Gods:

Genesis 1:27
Genesis 9:6
1 Korinthiërs 11:7a
2 Korinthiërs 3:18
Kolossenzen 3:10

Van Jezus (die zelf al het volkomen beeld van God is):

Romeinen 8:29
1 Korinthiërs 15:49

In werkelijkheid dragen wij, als het goed is, natuurlijk het ene beeld van de drieënige God: Genesis 1:26a. Dit was ook Jezus' argument in Mattheüs 22:20, Marcus 12:16, Lukas 20:24: wat 's keizers beeld draagt dient de keizer gegeven te worden, maar wij, die Gods beeld dragen dienen onszelf aan God te geven.

De gezant van Christus spreekt namens God: 2 Korinthiërs 5:20a. En bij de statusuitwisseling neemt Christus onze zonden, en wij Gods gerechtigheid: 2 Korinthiërs 5:21.

((Te doen.))

Marcus 2:5-7, Lukas 7:48-50 (vergelijk Mattheüs 9:2) — Jesaja 43:25.

Jezus claimt God te zijn, en die claim wordt erkend. De hierboven al genoemde passage Johannes 5:17-18, maar ook Johannes 10:30-33. Ook de claim in de „Ik ben”-uitspraken wordt erkend.