De positieve rhetorische vraag

Op een positieve rhetorische vraag is het bedoelde antwoord negatief. Op vragen als de volgende moet dus - volgens de steller - "Natuurlijk niet!" geantwoord worden.

Genesis 34:31
Maar zij zeiden: Mocht hij soms onze zuster als een hoer behandelen?
Genesis 43:7z
Konden wij soms weten, dat hij zou zeggen: brengt uw broeder mee?
Genesis 50:19
Maar Jozef zeide tot hen: Vreest niet, want ben ik in Gods plaats?
1 Samuël 17:43a
De Filistijn zeide tot David: Ben ik een hond, dat gij met een stok op mij afkomt?
1 Samuël 22:7-8a
Toen zeide Saul tot de dienaren die bij hem stonden: Hoort toch, gij Benjaminieten! Zal de zoon van Isaï u allen soms akkers en wijngaarden geven, zal hij u allen tot oversten over duizend en tot oversten over honderd aanstellen, dat gij allen tegen mij hebt samengespannen en niemand het mij meegedeeld heeft, toen mijn zoon een verbond sloot met de zoon van Isai?
2 Koningen 5:7a
Zodra de koning van Israël de brief gelezen had, scheurde hij zijn klederen en zeide: Ben ik God, om te kunnen doden en levend maken, dat deze man een boodschap tot mij zendt om een man van zijn melaatsheid te verlossen?
Job 6:5-7
Balkt de wilde ezel bij het groene gras, of loeit het rund bij zijn voeder? Laat zich flauwe spijze eten zonder zout, of is er smaak aan eiwit? Ik weiger ze aan te raken, zij zijn mij walgelijke spijze.
(Implicatie: als ik geklaagd heb is dat dus omdat het leven mij geen voedsel biedt, voor mij zouteloos is.)
Job 7:12
Ben ik de zee of een zeemonster, dat Gij een wacht tegen mij zet?
Job 35:2-3
Houdt gij dat voor recht, en noemt gij dat: mijn gerechtigheid tegenover God, dat gij zegt, wat baat het u? In hoeverre ben ik beter af dan wanneer ik zondig?
(In deze positieve rhetorische vraag citeert Elihu twee open rhetorische vragen van Job.)
Ezechiël 18:13m
Zou zo iemand leven? Hij zal niet leven.
Ezechiël 18:24
Maar wanneer een rechtvaardige zich afkeert van zijn rechtvaardige wandel en onrecht doet, naar al de gruwelen handelt, die de goddeloze bedrijft - zal hij dan leven? Met geen van zijn rechtvaardige daden zal rekening gehouden worden. Om de ontrouw die hij gepleegd, en om de zonde die hij bedreven heeft, daarom zal hij sterven.
Maleachi 3:8a
Mag een mens God beroven? Toch berooft gij Mij.
Johannes 18:35a
Pilatus antwoordde: Ben ik soms een Jood?
1 Korinthiërs 12:29-30
Zijn zij soms allen apostelen? Allen profeten? Allen leraars? Allen krachten? Hebben soms allen gaven van genezing? Spreken soms allen in tongen? Vertolken zij soms allen?
Galaten 4:16
Ben ik dus een vijand van u geworden, nu ik u de waarheid zeg?

Een grammaticaal positieve rhetorische vraag kan natuurlijk semantisch negatief zijn.

2 Koningen 18:25
Ben ik dan zonder de wil des Heren opgetrokken tegen deze plaats om haar te verwoesten? De Here heeft mij gelast: trek op tegen dit land en verwoest het.
(Het negatieve antwoord "niet zonder de wil" heeft de positieve betekenis: "met Gods wil".)