Daad­beelden

Als derde verbeeldt God ook door zinne­beeldig gedrag, of een symbolische daad. Zo bevat de Mozaïsche Wet veel voor­afbeeldingen van het Evangelie, en ook in de kerkelijke symbolen worden evangelische waarheden verbeeld.

De schoen.

Deuteronomium 25:9-10
De schoen geeft een (eervolle, rechtvaardige) claim aan.
Exodus 3:5, Jozua 5:15, Handelingen 7:33
Daarom mag men Gods grond niet geschoeid betreden.
Ruth 4:7-8
Bij het overdragen van een claim werd dan ook de schoen overgedragen.
Psalmen 60:10, Psalmen 108:10
God claimt ook Edom.
Hier wordt een niet-talig beeld tot taal­beeld gemaakt door overdrachtelijk gebruik.

Ook wonderen kunnen zinnebeeldig zijn.

Jona 4:6-11
En de Here God beschikte een wonderboom, die boven Jona opschoot om tot schaduw te zijn boven zijn hoofd, ten einde hem van zijn misnoegdheid af te brengen. En Jona verheugde zich zeer over de wonderboom. Maar de volgende dag, bij het aanbreken van de morgenstond, beschikte God een worm, die de wonderboom stak, zodat deze verdorde. En het geschiedde, zodra de zon opging, dat God een gloeiende oostenwind beschikte en de zon stak op het hoofd van Jona, zodat hij amechtig neerzonk en wenste dat hij sterven mocht, zeggende: Het is mij beter te sterven dan te leven. Maar God vroeg Jona: Zijt gij terecht vertoornd over de wonderboom? En hij antwoordde: Terecht ben ik vertoornd, ten dode toe. Toen zeide de Here: Gij wildet de wonderboom sparen, waarvoor gij u geen moeite hebt gegeven en die gij niet hebt doen groeien, die in één nacht is ontstaan en in één nacht is vergaan. Zou Ik dan Ninevé niet sparen, de grote stad, waarin meer dan honderdtwintigduizend mensen zijn, die het onderscheid niet kennen tussen hun rechterhand en hun linkerhand, benevens veel vee?

God kan ook verwijzen naar bestaande symbolische handelingen — zelfs als Hij die afwijst.

Deuteronomium 14:1
Gij zijt kinderen van de Here, uw God; gij zult uzelf om een dode geen insnijdingen toebrengen, noch het haar boven uw voorhoofd wegscheren;

Scheren, as, rouw­gewaad of gescheurde kleren en insnijdingen als rouwtekenen.

Job 1:20a
Toen stond Job op, scheurde zijn mantel en schoor zijn hoofd;
Jesaja 3:24
Dan zal er in plaats van balsemgeur vunsheid zijn, in plaats van een gordel een touw, in plaats van haarvlechten kaalheid, in plaats van een pronkgewaad omgording met een rouwkleed, een brandmerk in plaats van schoonheid.
Jesaja 15:2
Men gaat op naar de tempel, Dibon naar de hoogten om te wenen; in Nebo en Medeba jammert Moab; ieders hoofd is kaal geschoren, elke baard is afgesneden.
Jesaja 22:12
En de Here, de Here der heerscharen, riep te dien dage tot geween en tot rouwklacht, tot kaalscheren en tot omgording met een rouwgewaad.
Jeremia 6:26
Dochter mijns volks, gord u een rouwkleed om en wentel u in as. Bedrijf rouw als over een enig kind, een bittere weeklacht; want onverhoeds komt de verwoester over ons.
Jeremia 7:29
Scheer uw hoofdhaar af en werp het weg, hef op de kale heuvels een klaaglied aan: de Here heeft verworpen en prijsgegeven het geslacht waarop zijn verbolgenheid rust.
Jeremia 16:6
Groten en kleinen zullen in dit land sterven zonder begraven te worden, men zal hen niet beklagen en niemand zal zich om hen insnijdingen maken of zich kaal scheren;
Jeremia 48:37
Want elk hoofd is kaal geschoren, elke baard afgesneden, in alle handen zijn insnijdingen en op alle heupen is rouwgewaad.
Ezechiël 7:18
Zij zullen zich met rouwgewaden omgorden, schrik zal hen overdekken, op alle gezichten zal schaamte zijn, op ieders hoofd een kale plek.
Ezechiël 27:30-31
Luid weeklagen zij over u en jammeren bitter, zij werpen stof op hun hoofden wentelen zich in as. Om uwentwil scheren zij zich kaal en omgorden zij zich met rouwgewaad; in bitter zieleleed wenen zij over u. Een bittere rouwklacht!
Amos 8:10m
Dan zal Ik rouwgewaad brengen op alle heupen en kaalheid op elk hoofd.
Micha 1:16
Maak u kaal en scheer u om uw troetelkinderen; maak u een kale plek, zo groot als van een gier, omdat zij van u weggaan in ballingschap.

In Jeremia 47:5 wordt een woordspeling gemaakt: het scheren wordt gezien als rouw­gebruik, maar tegelijk als teken van totale vernietiging, zoals in Ezechiël 29:18 en Nahum 1:12 (waar „scheren” vertaald is als „afmaaien”).