Een presuppositionele dialoogꜛ
- Atheïst
- Alle bewijs ontbreektꜛ. Kun je me bewijzen dat God bestaat?
- Christen
- Neen, want je hangt een wereldbeeld aan waarin Hij niet bestaat, en dus zul je alles wat ik als bewijs te berde zou brengen binnen dat wereldbeeld verklaren.
- Atheïst
- Huh? Als het binnen mijn wereldbeeld verklaarbaar is geeft dat aan dat het geen goed bewijs is.
- Christen
- Maar ook als het niet verklaarbaar is zul je het zo verklaren — je moet wel.
- Atheïst
- Dat snap ik niet.
- Christen
- Stel dat als „bewijs” die stoel daar opeens omhoog zou zweven. Dan zou je onmiddellijk gaan onderzoeken of er geen verborgen mechanisme te vinden was dat dat verklaart.
- Atheïst
- Natuurlijk! Iets anders zou enkel goedgelovigheid zijn.
- Christen
- Dat is juist. Maar als je niets zou vinden zou je bij jezelf zeggen „en toch moet er een mechanisme zijn”, en desnoods een nieuwe natuurkracht veronderstellen, om het maar niet als bewijs te hoeven aanvaarden.
- Atheïst
- Nou ja, uiteindelijk bewijst een vliegende stoel natuurlijk ook niets.
- Christen
- Dat bedoel ik! Vanuit een atheïstisch wereldbeeld bewijst niets het bestaan van God. Dat ligt op voorhand al vast.
- Atheïst
- Natuurlijk is een wonder geen bewijsꜛ, een bijzondere ervaring geen bewijsꜛ. Een bewijs vergt logica.
- Christen
- Dus als ik zou bewijzen dat het ontkennen van het bestaan van God leidt tot een logische tegenspraak, een paradox, zou je geloven?
- Atheïst
- Neen, want een paradox bewijst nietsꜛ. Bewijst de leugenaarsparadox dat er geen leugenaars bestaan?
- Christen
- En ziedaar — weer ontken je de bewijskracht van een mogelijk bewijs. Voor mij bewijst het bestaan van paradoxen overigens al dat God bestaat. Maar goed, jij vraagt om een bewijs, dus jij moet me ook maar vertellen wat een voor jou aanvaardbaar bewijs zou zijn.
- Atheïst
- Tja, ‥