De Romeinse overheid als bron

Deels kennen we de geschiedenis van Jezus en Zijn volgelingen uit Romeinse overheidsbronnen. Doordat de archieven van Rome verloren zijn gegaan kennen we deze bronnen meestal slechts als citaten, of zelfs enkel als verwijzingen. Een uitzondering is de briefwisseling van Plinius met keizer Trajanus, die bewaard is gebleven en één brief plus antwoord over de Christenen bevat.

Keizer Augustus
In zijn „Saturnalia” (boek 2, hoofdstuk 4) zou Macrobius een citaat van hem omtrent de kindermoord te Bethlehem hebben weergegeven. ((Nog na te gaan.))
Pontius Pilatus en keizer Tiberius
Als ambtenaar zal Pontius Pilatus een uitvoerige beschrijving hebben moeten geven van de gebeurtenissen rond de terechtstelling van Jezus. Hij handelde in naam van de keizer, en had weliswaar beslissingsbevoegdheid, maar moest daar achteraf wel verantwoording van afleggen. Een mogelijk uitvloeisel ervan is de in Nazareth gevonden Nazareth­inscriptie uit de tijd van Tiberius of diens opvolger Claudius (uiterlijk 54). Deze inscriptie bestaat uit een waarschuwing dat zware straffen zullen worden opgelegd aan een ieder die de grafrust verstoort, en lijkt een kenmerkend ambtelijk antwoord op de door Pilatus gerapporteerde Joodse claim dat de discipelen het lijk gestolen hadden: de Romeinse ambtenaren moeten hebben aangenomen dat dit, voor ‚Jezus van Nazareth’, in Nazareth moet hebben gespeeld, en lieten als maatregel deze inscriptie aanbrengen. (Het marmer kwam uit Kos — Israël heeft geen marmer; de „marmer­groeve” die in 1923 door Aharon Grebelski werd aangelegd is in feite een mizzi­steengroeve. De tekst is echter in slecht Grieks, wat het onwaarschijnlijk maakt dat die op dat Griekse eiland zou zijn geschreven.)
Justinus Martyr was een filosoof die uitvoerig zocht naar de waarheid, waarbij hij zich vooral door het Platonisme aangetrokken voelde. Uiteindelijk wijst iemand hem op de Hebreeuwse profeten, die hij als ouder en wijzer dan de Griekse filosofen herkent. Door hen komt hij uiteindelijk tot het Christendom, en in 163 sterft hij de marteldood omdat hij weigert de goden te offeren. Rond 150 schrijft hij een verdediging van het Christelijk geloof aan keizer Antoninus Pius, waarbij hij verwijst naar de ambtelijke verslagen (de ‚acta’) van Pilatus, waarin de keizer zijn beweringen kan controleren.
Quintus Septimius Florens Tertullianus was een Christen uit Carthago, die bij zijn verdediging (in 197) verwijst naar de briefwisseling tussen Keizer Tiberius en Pontius Pilatus omtrent Jezus. Hij schrijft dat keizer Tiberius het leven van Jezus besprak in de Senaat — waarschijnlijk gaat het hier om Zijn dood in verband met de duisternis die op die dag plaatsvond. Voor Romeinen waren dergelijke augurische tekenen van het grootste belang, en een claim dat een door hen veroorzaakte dood de oorzaak was geweest van de gebeurtenis zal ongetwijfeld tot senaatsdiscussies hebben geleid.
Plinius Secundus en keizer Trajanus
De brief van Plinius uit 112, en het antwoord van de keizer.
Keizer Hadrianus
Schreef een brief aan de proconsul van Klein-Azië, Minucius Fundanus. Bewaard in Justinus Martyr, „Eerste apologie”, hoofdstukken 68-69.
„Ik heb de door uw voorganger Serenius Granianus, een zeer doorluchtig man, aan mij gezonden brief ontvangen, en die boodschap wil ik niet negeren, omdat anders onschuldigen lastig gevallen worden en informanten de gelegenheid krijgen tot kwaadaardig gedrag. Derhalve, mochten de inwoners van uw provincie hun verzoek volhouden tot het punt van beschuldigen van de Christenen in een of ander gerechtshof, dan zal ik hen daarvan niet weerhouden. Maar ik zal niet toelaten dat zij zich bedienen van niets dan smeken en roepen. Het is immers veel rechtvaardiger, mocht iemand een beschuldiging willen uiten, dat u daar een oordeel over velt. Mocht daarom iemand de beschuldiging uiten, en bewijs leveren dat genoemden iets onwettigs doen, dan zult u straf toekennen in verhouding tot de misdaad. En, bij Hercules, u zult er speciaal op toezien dat u, als iemand uit pure laster een beschuldiging tegen een van deze personen inbrengt, hem des te strenger zult straffen in verhouding tot zijn verdorvenheid.” ((Latijn nog te controleren.))
Keizer Titus Aurelius Antoninus Pius
Schreef een brief aan de raad van Klein-Azië, bewaard in Justinus Martyr, „Eerste apologie”, hoofdstuk 70. Sommigen beschouwen deze brief als onecht.
Keizer Marcus Aurelius Antoninus
Geboren in 121, keizer van 161 tot 180. Wijsgeer. Toen tijdens een pestepidemie de bevolking riep om de dood van de Christenen, heeft hij dit toegestaan, met als gevolg een wrede vervolging.
In semet ipsum XI:3.2 „Zodanig is de ziel die bereid is, als hij misschien losgemaakt moet worden van het lichaam, en werkelijk uitgeblust of verstrooid te worden, of in stand te blijven: dat dit een bereidheid is die uitgaat van het eigen(?) oordeel, niet met enkel strijdlust, zoals de Christenen, maar na rijp beraad en waardig en zó als om ook een ander te overtuigen, zonder tragische tonelen.”
(Een brief van hem aan de Romeinse Senaat, door een leerling van Justinus Martyr als hoofdstuk 71 toegevoegd aan diens „Eerste apologie”, is hoogstwaarschijnlijk onecht of op zijn minst hevig geïnterpoleerd door Christenen.)
Keizer Julianus
Deze laatste niet-Christelijke keizer probeerde het heidendom weer in te voeren. Er zijn fragmenten over van zijn boeken tegen de Christenen, uitgegeven door K.J.­Neumann.