Tegenwerpingen

Tegenwerping (Zedeplicht onoplegbaar):
Die geest kan zo veel. Wat die me ook openbaart, daaruit volgt nog geen plicht voor mij. Hij heeft de macht, dus hij kan me dwingen, of straffen, maar daaruit volgt nog steeds geen plicht.
Antwoord:
Neen, die plicht volgt uit het feit dat deze wereld zó is dat bepaald gedrag feitelijk goed of kwaad is. Als ik een spel speel, heb ik de plicht me aan de spel­regels te houden. Ik kan besluiten andere regels te volgen, maar dan is het een ander — mogelijk zelfs beter — spel geworden. Zolang ik echter het oorspronkelijke spel speel ben ik moreel gehouden me aan de gegeven spelregels te houden.
De vergelijking tussen een spel en ons leven in deze wereld gaat op verschillende punten mank. Zo kunnen we niet met het spel ophouden, en we hebben geen buiten het spel gelegen doelen waaraan we de kwaliteit van het spel kunnen afmeten. Wij hebben slechts de verzekering dat de gegeven regels de beste zijn — dat is deel van die openbaring. En de aard van een zedelijke plicht is ongelijk aan die van een spelregel — het is wezenlijk verkeerd een zedeplicht te overtreden.
Tegenwerping (Moraal god­onafhankelijk):
Als die zedepijl onafhankelijk van die geest is hebben we die geest niet nodig om haar te kennen. Religie is dan geen bron van moraliteit.
Antwoord:
Onafhankelijk bestaand betekent nog niet kenbaar voor ons, dus de redenering klopt niet. Het is overigens wel zo dat we die zedepijl goeddeels kunnen kennen — anders zouden alleen de vereerders van de juiste transcendente geest moreel zijn. Aan de zedeplicht tot die verering wordt natuurlijk per definitie enkel door die vereerders voldaan, dus in die zin is de juiste religie een vorm van zedelijk gedrag, en die geest kan ook nauwkeuriger kennis van die pijl geven, waarmee die religie een bron van moraliteit wordt — maar nu lopen we een eind vooruit op ons onderzoek.
((Nog af te maken. De hele notie van „zede­plicht” is door die geest in deze wereld gelegd, en als die geest meent dat wij die plicht hebben dan hebben wij die, want hij is onfeilbaar.))
Tegenwerping (Goedheid immanent):
Stel dat ik zou bewijzen dat er geen transcendente geest is. Zou je dan opeens ophouden van je familie te houden, zou je gaan stelen, liegen, verkrachten, moorden? Neen toch, hoop ik. Bestaat je moraliteit enkel doordat je meent dat een geest dat wil?
Antwoord:
Neen, moraliteit maakt deel uit van deze wereld. Zonder transcendente geest lijkt dat feit niet te verklaren, dus zo'n bewijs zou een alternatieve verklaring van het bestaan van moraal moeten bevatten. Die verklaring, indien juist, zou dan afdoende zijn als uitleg van het feit dat ik door dat bewijs niet compleet immoreel of amoreel word. Zo'n verklaring zou zowel moeten uitleggen wat mij moreel bindt alsook waardoor ik niet perfect moreel ben, verleidingen ken, zondig, en dan weer verleid word dat (ook voor mezelf) goed te praten.
((Wel geldt dat is als Christen boven mijn morele intuïtie uit ben gestegen tot moreel besef. Daardoor zal ik, zonder God, minder gebonden zijn door morele neigingen. Ik zou slechter zijn dan ik was geweest als ik God nooit had leren kennen, en nog vanuit mijn zedelijke neigingen en intuïtie leefde. Morele neigingen uitwerken bij zielkunde: intuïtie is gevoel van kennis; neiging betreft handelen.))
Tegenwerping (Ethiek met God serviel):
Als ik enkel goed doe omdat die geest dat van me eist is mijn goed doen niet zedelijk meer maar een vorm van serviliteit.
Antwoord:
Er is een groot verschil tussen serviliteit en dienstbaarheid. Als ik mij dienstbaar maak aan de goede zaak is dat geen serviliteit. De grote vraag is of die zaak mijn dienstbaarheid waard is — en in een aanvaardbaar wereldbeeld zal die transcendente geest die dienstbaarheid dus waard moeten zijn. ((Te doen.))
Tegenwerping (Ethiek met God zelfzuchtig):
Als ik enkel goed doe omdat ik een beloning wil of straf wil ontlopen, is mijn goed doen niet zedelijk meer maar een vorm van egoïsme.
Antwoord:
Dat is geheel juist. Een godsdienst waarin wij de hemel kunnen verdienen of de hel kunnen ontlopen door goede werken is een onaanvaardbaar wereldbeeld. Dat geldt ook voor varianten waarin bijvoorbeeld karma ons de gevolgen van onze daden nadraagt en de reden voor goed zijn is.
Tegenwerping (Ontbrekende verantwoordelijkheid):
Als ik droom dat jij iemand vermoordt, ben jij niet verantwoordelijk voor die moord. Daarom ben jij evenmin verantwoordelijk als God dat droomt.
Antwoord:
Als jij dat droomt is de gedroomde moordenaar zeker verantwoordelijk, als die moord in die droomwereld verkeerd is. De persoon (ik) van wie die gedroomde moordenaar een soort afspiegeling is is inderdaad niet verantwoordelijk, want die persoon heeft die moord niet gepleegd. Als ik in werkelijkheid, dat is in Gods droom, een moord pleeg is de ik in diezelfde werkelijkheid verantwoordelijk. Als ik een afspiegeling zou blijken te zijn van de één of andere persoon in een andere wereld is die persoon natuurlijk niet verantwoordelijk voor mijn daden.

((Te doen.))

Verwijzing naar het probleem van het kwaad.

Alexander Pruss' argument dat onzekerheid door chaos of door de mogelijkheid van een ons onbekend groter goed ons niet moet verlammen.