Tegenargumenten

Tegenwerping (Mogelijk nihilisme):
Men kan eenvoudig met een modaal bewijs aantonen dat er geen noodzakelijk wezen bestaat, als volgt.
  1. De notie van een totaal lege wereld bevat geen tegenspraak.
  2. Dus is de lege wereld een mogelijke wereld.
  3. Maar in de lege wereld komt geen enkel wezen voor.
  4. Dus is er geen enkel wezen dat in alle werelden voorkomt — dat is: er bestaat geen noodzakelijk wezen.
  5. Daar God een noodzakelijk wezen is, bestaat God niet.
Antwoord:
Als God een wezen is dat in alle logisch mogelijke werelden voorkomt is er inderdaad geen God. Het is eenvoudig een gedachtenwereld te construeren waarin God niet voorkomt. Als God daarentegen een wezen is dat noodzakelijk voorkomt in de wereld zoals wij die kennen, betekent dat slechts dat dat wezen voor moet komen in alle mogelijke werelden die overeenkomen met onze ervaring — en dat is een veel kleinere collectie mogelijke werelden, waarin de lege wereld niet voorkomt. ((Zie de bereikbaarheidsrelatie van het mogelijke-wereldenmodel.))
Algemener: als W₀ bereikbaar is, bestaan er in het geheel geen noodzakelijke zaken — ook logica is dan contingent. Dat is een zware prijs voor een conclusie die uiteindelijk niets zegt over de actuele wereld.

((Een probleem met veel modaal redeneren over God is dat verschillende vormen van modaliteit, met verschillende bereikbaarheidsrelaties, dooreen worden gehaald. Als God er hoe dan ook voor kiest goed te zijn, is er een bereik waarin God noodzakelijk goed is, maar dat wil niet zeggen dat er een wijder bereik is waarin Gods goedheid contingent is. In één zin kan God niet liegen, maar dat is omdat Hij daar voor kiest — in een wijdere zijn had Hij kunnen liegen, maar doet het niet. Uiteindelijk hoeft een bewijs slechts aan te tonen dat God in de actuele wereld bestaat, dus we mogen een klein bereik kiezen zolang dat de werkelijke wereld maar bevat — maar uit die keuze mogen we dan geen metafysische conclusies trekken.))

Tegenwerping (God zinledig):
Deze bewijzen tonen mogelijk aan dat er iets noodzakelijk in onze wereld bestaat, maar wat dat iets dan is blijft vaag. Het is nog een grote stap van deze conclusie tot de bewering dat de Christelijke God bestaat.
Antwoord:
Ja en neen — dat hangt sterk van de bereikbaarheidsrelatie af. Als W₁ bereikbaar is weten we dat de enige zaak die in W₁ bestaat God is — maar die zaak heeft enkel prieure eigenschappen, dus dan weten we ook dat God enkel prieure eigenschappen heeft — en dat zegt heel veel over Hem.

Vaak zijn twee lezingen mogelijk van de gebruikte hyperintensionele operatoren. Neem als voorbeeld „ik kan mij X voorstellen”. De lezing waarin die zin het bestaan van X niet vergt is onbezwaarlijk, maar ondersteunt vaak de conclusie van het argument niet. De lezing waarin X wel moet bestaan om de zin waar te maken („Ik kan mij een bestaand volmaakt wezen voorstellen”) is controversieel, en dus ongeschikt als premisse.

Wie meent dat God een noodzakelijk wezen is en feitelijk niet bestaat zal de premisse dat Hij mogelijk bestaat niet aanvaarden.

Tegenwerping (Meerzinnig noodzakelijk bestaan):
In de meeste modale godsbewijzen wordt God gedefinieerd als noodzakelijk bestaand, waarna de mogelijkheid van die God betoogd wordt. Dan praten we echter al gauw over epistemische mogelijkheid. Als we naar metafysische mogelijkheid kijken is er geen reden Gods noodzakelijkheid aan te nemen: wat betekent het dat God noodzakelijk zou bestaan als we nog moeten beschouwen of de werkelijkheid van dien aard is dat God überhaupt kan bestaan?
Antwoord:
Of zo'n God mogelijk is kan inderdaad verschillende zaken betekenen. Epistemisch mogelijk is onvoldoende; metafysisch mogelijk is wat hier gevergd wordt. Maar gegeven het feit dat de vraag waarom er überhaupt iets bestaat zo moeilijk zelfs maar tentatief te beantwoorden is, is het niet onredelijk te verwachten dat er maar één antwoord, of één klasse van antwoorden, metafysisch mogelijk is. En dat wil zeggen dat als bruut bestaan mogelijk is, noodzakelijk bestaan dat waarschijnlijk niet is, en omgekeerd; en dat als zuiver materieel noodzakelijk bestaan mogelijk is, zuver mentaal noodzakelijk bestaan (en dus God) dat waarschijnlijk niet is, en omgekeerd — en dat op zijn beurt betekent dat als God mogelijk bestaat Hij, epistemisch waarschijnlijk, noodzakelijk bestaat.