Modale bewijzen

Een modaal ontologisch godsbewijs is gebaseerd op de modale logica. Volgens het gebruikelijke veel-wereldenmodel is iets noodzakelijk als het in alle mogelijke universa werkelijk is.

Dat betekent dat een noodzakelijk wezen — dat is een wezen dat in alle mogelijke werelden bestaat —, als het bestaat ook meteen noodzakelijk bestaat. Misschien is er geen noodzakelijk wezen, maar als er een is, bestaat het ook meteen noodzakelijk — het is dan onmogelijk dat het niet zou bestaan. Dat is de inhoud van het bewijs van Anselmus. Het bijzondere van Anselmus is dat hij dit uitwerkte lang voordat de modale logica ontdekt was.

Het bewijs van Plantinga gaat nog een stapje verder: als een noodzakelijk wezen enkel mogelijk is, bestaat het al noodzakelijk. Immers, „mogelijk” betekent „in minstens één mogelijke wereld bestaand”, en als het in die wereld bestaat en tegelijk de eigenschap heeft in alle werelden te bestaan, dan bestaat het in alle werelden.

Het bewijs van Leibniz neemt de laatste stap, en poogt zonder aanname vooraf het noodzakelijk bestaan van dit wezen te bewijzen.

Al deze bewijzen worstelen met de aard van dit wezen. Anselmus loste dit op door al uit te gaan van zijn geloof in het bestaan van een God die aan de noodzakelijkheidseis voldoet. Daarmee bewijst zijn argument niet zozeer meer iets over de werkelijkheid, als wel over wat hij noodzakelijk nog meer moet geloven als hij dat eerste geloof heeft. Plantinga kent aan zijn wezen een excellentie toe die verder niet in zijn bewijs gebruikt wordt, en Leibniz stopt het noodzakelijk bestaan in een bundel van „positieve eigenschappen” die hij vervolgens alle aan dat wezen kan toekennen.

((Uitwerken naar het gebruikte predicaat: volmaaktheid, noodzakelijkheid, ‥))

((Te doen.))

Een almachtig wezen is in staat niet te bestaan, en bestaat dus niet noodzakelijk. Dat weerlegt de conclusie van veel modale bewijzen dat een noodzakelijk almachtig wezen bestaat, tenzij de bereikbaarheidsrelatie zo wordt gekozen dat werelden waarin dat wezen niet bestaat onbereikbaar zijn vanuit de werkelijke wereld.

Mijn argument: er bestaat iets, en nog wel iets complex'. Noodzakelijk bestaan is onmogelijk, want zonder iets is er geen noodzaak, dus er moet een reden voor zijn — bruutheid of vrijheid”. (Ik geloof niet in bruutheid, maar bruutheid als mogelijkheid aannemen geeft hier niet.) Het is zeer onwaarschijnlijk dat er meer mogelijkheden zijn waarlangs iets zou kunnen bestaan, dus als materie spontaan kan bestaan is het onwaarschijnlijk dat geest dat kan, en vice versa. Dat betekent dat als X (materie of geest) de grond is, X epistemisch waarschijnlijk de noodzakelijke grond is — en daaruit volgt dat als God bestaat hij epistemisch waarschijnlijk noodzakelijk bestaat. Ook is het epistemisch waarschijnlijk dat iets eenvoudigs de grond is — en God is metafysisch veel eenvoudiger dan de complexe fysische basis, inhomogeen, en inclusief een abstract/mentale component (die wij vatten in hogere wiskunde en wetten). Dus God lijkt mogelijk en noodzakelijk.

Door ons te beperken door werelden met geest, met morele waarden, en zo voort wordt een materieel begin onwaarschijnlijker, en een mentaal begin waarschijnlijker.